







Letterlijke transcriptie:
De Testatrice heeft verklaard niet boven de twee duizend guldens gegoed te zijn. En is in dezen geen fideicommis begrepen.
N: 101. Rendorp.
Testament
Vertaling naar modern Nederlands:
De erflaatster heeft verklaard niet meer dan tweeduizend gulden aan vermogen te bezitten. En in deze akte is geen fideicommis (erfstelling over de hand / tweetrapsmaking) opgenomen.
Nummer: 101. Rendorp (naam van de klerk/behandelaar of griffier).
Testament
Letterlijke transcriptie:
Op den agtienden February in den Jaare zeven tien honderd drie en tagtig des nademiddags ten half twee uuren, comparerde voor mij Cornelius van Homrigh, Openbaar Notaris, bij den Hove van Holland geadmitteerd, te Amsteldam residerende, in tegenwoordigheid van de ondergenoemde getuigen.
Vertaling naar modern Nederlands:
Op de achttiende februari in het jaar zeventienhonderddrieëntachtig (18 februari 1783), 's middags om half twee, verscheen voor mij, Cornelius van Homrigh, openbaar notaris, toegelaten door het Hof van Holland en gevestigd te Amsterdam, in aanwezigheid van de hieronder genoemde getuigen:
(Let op: Dit is de logische derde pagina van de doorlopende tekst, waarin de testatrice zich voorstelt en haar moeder tot erfgenaam benoemt).
Letterlijke transcriptie:
Mejuffrouw Maria Sophia Dulcken, meerderjarig en ongehuwd, wonende binnen deze Stad op de Heeregragt, mij Notaris bekend, haar verstand, geheugen en uitspraak wel hebbende en om te disponeeren volkomen instaat.
Te kennen gevende, dat de overdenking van de zekerheid des doods haar heeft doen besluiten om te maken en bij dezen te doen beschrijven haar Testament en uiterste wille, als volgt.
Voor af herroept en vernietigt de Testatrice alle Testamenten, Codicillen, en andere soorten van uiterste wils dispositien, door haar voor dato dezes, het zij alleen of met iemand te zamen gemaakt ofte gepasseerd, geene uitgezonderd, hoe genaamd en welke clausulen daarin mogten begrepen zijn.
En dus geheel op nieuw disponeerende, verklaarde zij Testatrice in alle haare natelatene goederen, zo roerende als onroerende, mitsgaders actien, crediten en geregtigheden, niets uitgesloten, tot haar eenige en algeheele Erfgename of Erfgenamen te noemen en te inssetueeren haare Moeder, Mejuffrouw Maria Susanna Kneffeling, Weduwe van wijlen den Heer
Vertaling naar modern Nederlands:
Mejuffrouw Maria Sophia Dulcken, meerderjarig en ongehuwd, wonende in deze stad (Amsterdam) op de Herengracht. Zij is aan mij, notaris, persoonlijk bekend en is bij haar volle verstand, geheugen en spraakvermogen, en volledig in staat om te beschikken over haar nalatenschap.
Zij geeft te kennen dat de overdenking van de zekerheid van de dood haar heeft doen besluiten om haar testament en uiterste wil te maken en bij dezen te laten opschrijven, als volgt:
Allereerst herroept en vernietigt de erflaatster alle testamenten, codicillen en andere soorten van uiterste wilsbeschikkingen die zij vóór deze datum, hetzij alleen of samen met iemand anders, heeft gemaakt of gepasseerd, zonder uitzondering, hoe ze ook genaamd zijn en welke clausules er ook in stonden.
En zo geheel opnieuw beschikkend, verklaart de erflaatster dat zij in al haar na te laten goederen, zowel roerende als onroerende zaken, evenals aandelen, openstaande vorderingen en rechten, niets uitgezonderd, tot haar enige en universele erfgenaam (of erfgenamen) benoemt en aanstelt: haar moeder, mejuffrouw Maria Susanna Kneffeling, weduwe van wijlen de heer...
Plaatsvervullende erfgenamen bij vooroverlijden
(De tekst loopt hier vloeiend over vanaf de vorige pagina: "...wijlen den Heer Jan Daniel Dulcken").
Letterlijke transcriptie:
...Jan Daniel Dulcken, en bij vooroverlijden van dezelve haare Moeder als dan aan de volgende drie Staken, te weten:
Deop haar Testatrices afsterven in leven zijnde Kind of Kinderen in den eersten graad van haare Zuster Juffrouw Johanna Henrietta Dulcken, Huisvrouw van den Heer Hermanus Faber, voor een Staak;
Deop haar Testatrices overlijden in leven zijnde Kind of Kinderen van haar de overleeden Broeder den Heer Johannes Lodewijk Dulcken, ook voor een Staak;
En haar Testatrices Zuster Juffrouw Johanna Elisabeth Dulcken, of bij haar vooroverlijden haar Kind of Kinderen, mede voor een Staak.
Ieder der gemelde drie Staken voor een gezegd derde gedeelte en bij gebreken op haar Testatrices afsterven van een of meer der genoemde drie Staken, als dan aan de overigen van dezelve drie Staken alleen en voor het geheel.
Voorts is haar Testatrices begeerte dat gedurende de minderjarigheid en te gelijk ongehuwde staat van ieder der Kind of Kinderen zo van haare Zuster Johanna Henrietta Dulcken als van haren Broeder Johannes Lodewijk Dulcken door derzelven respective ouders of de langstlevende van dezelve vaders en weduwen van de Exporteur van deszelfs kind ofte Kinderen zullen werden genoten de zuivere na voldoening der honderdste, twee honderdste en dergelijke Penningen, mitsgaders alle andere zo ordinaire als extra ordinaire Lasten provenierende vrugten en interessen en zulks ten opzigten van ieder Kind tot deselfs meerderjarigheid of eerder trouwen toe.
Vertaling naar modern Nederlands:
...Jan Daniel Dulcken. En in het geval dat haar moeder vóór haar komt te overlijden, vervalt de erfenis aan de volgende drie staken (familielijnen), te weten:
De bij het overlijden van de erflaatster in leven zijnde kinderen in de eerste graad van haar zuster, juffrouw Johanna Henrietta Dulcken, echtgenote van de heer Hermanus Faber, samen voor één staak;
De bij het overlijden van de erflaatster in leven zijnde kinderen van haar overleden broer, de heer Johannes Lodewijk Dulcken, eveneens samen voor één staak;
Haar zuster, juffrouw Johanna Elisabeth Dulcken, of bij haar vooroverlijden haar kind of kinderen, eveneens voor één staak.
Verder is het de wens van de erflaatster dat tijdens de minderjarigheid en tegelijkertijd ongehuwde staat van de respectievelijke kinderen (zowel van haar zuster Johanna Henrietta Dulcken als van haar broer Johannes Lodewijk Dulcken), de zuivere opbrengsten, vruchten en renten (na aftrek van de honderdste en tweehonderdste penning en andere gewone of buitengewone belastingen) genoten zullen worden door hun respectievelijke ouders of de langstlevende daarvan. Dit geldt voor elk kind totdat het de meerderjarige leeftijd bereikt of eerder in het huwelijk treedt.
Executeurs, Voogden en Clausules
Letterlijke transcriptie:
Waarop de Testatrice verzoekt en committeert den Heer Jan Fredrik Motte en Mejuffrouw Johanna Henrietta Arnoldina Renault, tot Executeurs en Executrice van dit haar Testament, tot Directeurs en Directrice van haar Begravenis en om haren Boedel te vereffenen en alles tot liquiditeit te brengen, als mede ingevalle van minderjarige Erfgenamen tot Administrateurs en Administratrice van derzelver van haar Testatrice op te komene goederen en ook in dien gevalle den genoemden Heer Jan Fredrik Motte tot Voogd, om in de scheiding en verdeeling van haar Testatrices Nalatenschap de minderjarige Erfgenamen te representeren en derzelver regt en Intrest waar te nemen; En dat respektievelijk met alle daartoe vereischt werdende magt inspecialijk ook met magt van assumtie, surrogatie en Substetutie, alles met gelijke magt bij Notariale Acte, zonder iemands approbatie te behoeven en dat successive tot den uit einde den commisien toe.
Sluitende alzo Testatrice voor altoos uit haren Boedel en Sterfhuis de Edele Agtbare Heeren Weesmeesteren van deze Stad en van alle andere Steden of Plaatsen daar haar Sterfhuis zal komen te vallen ofte haare goederen gelegen of uitstaande zullen zijn, dezelve in alle gevallen eerbiedig bedankende en excuserende bij dezen.
Laatstelijk reserveerd of behoud de Testatrice aan zich de magt om in vervolg van Tijd het zij bij Acte voor Notaris en getuigen te passeren of wel andersints bij eigen...
Vertaling naar modern Nederlands:
Waarna de erflaatster verzoekt en aanstelt: de heer Jan Fredrik Motte en mejuffrouw Johanna Henrietta Arnoldina Renault tot executeurs van dit haar testament, en tot leiders van haar begrafenis. Zij moeten haar boedel vereffenen en alles financieel afwikkelen. Tevens worden zij, in het geval er minderjarige erfgenamen zijn, aangesteld tot administrateurs van de goederen die uit de erfenis naar deze minderjarigen overgaan. In datzelfde geval benoemt zij de genoemde heer Jan Fredrik Notte tot voogd, om bij de scheiding en verdeling van de nalatenschap de minderjarige erfgenamen te vertegenwoordigen en hun rechten en belangen te behartigen. Dit alles respectievelijk met alle daartoe vereiste macht, in het bijzonder ook met het recht van assumptie, surrogatie en substitutie (het recht om anderen aan te stellen of zich te laten vervangen), overal met gelijke macht bij notariële akte, zonder dat daarvoor de goedkeuring van wie dan ook nodig is, en dat achtereenvolgens tot het einde van de opdracht toe.
Hierbij sluit de erflaatster voor altijd uit haar boedel en sterfhuis uit: de Edele Achtbare Heren Weesmeesters van deze stad (Amsterdam) en van alle andere steden of plaatsen waar zij eventueel komt te overlijden of waar haar goederen zich bevinden. Zij bedankt hen bij dezen beleefd en stelt hen vrij van bemoeienis.
Tot slot reserveert en behoudt de erflaatster voor zichzelf het recht om in de loop van de tijd, hetzij via een nieuwe akte voor notaris en getuigen, hetzij op een andere manier door haar eigen...
Slot en Ondertekening
(De tekst loopt hier vloeiend over vanaf de onderkant van pagina 5: "...bij eigen geschrifte of enkele ondertekening...").
Letterlijke transcriptie:
...geschrifte of enkele ondertekening, schoon den lest of inhoud door een ander mogte zijn geschreven, te kunnen legateeren en praelegateren het gemaakte weder te herroepen of te veranderen, mitsgaders tot verandering, vermeerdering of vermindering van het vorenstaande, gelijk mede tot executie of nieuwe aanstelling en benoeming van Executeurs, Voogden en Administrateurs als andersints, te disponeeren en te ordonneren na welgevallen, Willende dat al het zelve even zo veel kragt hebben en zo wel nagekomen zal moeten werden, alsof alles in dezen woordelijk beschreven en uitgedrukt stond.
Het geene voorschreven staat, verklaarde de Testatrice, na dat het een haar door mij Notaris duidelyk was voorgelezen te zijn haar Testament en uiterste wille, door haar uit eigen beweging also gemaakt, Begerende dat hetzelve op haar overlijden zal worden agtervolgd als een volkomen Testament, ten minsten als codicil, of zo als het na regten best zal kunnen bestaan.
Gepasseerd in Amsterdam, ten huize van mij Notaris ten presentie van Jacobus Donker en Gerardus Jacobus Veening, als getuigen hier toe verzocht.
[Handtekeningen:] J. Donker Gerardus Jacobus Veening
M S Dulcken C: v Homrigh Nots.
Vertaling naar modern Nederlands:
...handschrift of met een enkele ondertekening (zelfs als de tekst of inhoud door iemand anders is opgeschreven) legaten of prelegaten na te laten, het gemaakte weer te herroepen of te veranderen. Dit geldt ook voor het veranderen, vermeerderen of verminderen van het vorenstaande, evenals voor de uitvoering of de nieuwe aanstelling en benoeming van executeurs, voogden en administrateurs. Zij kan hierover naar eigen goeddunken beschikken en bepalen. Zij wil dat dit alles net zoveel rechtskracht zal hebben en net zo goed nageleefd moet worden alsof het in deze akte al woord voor woord opgeschreven en uitgedrukt stond.
Al hetgeen hierboven geschreven staat, verklaarde de erflaatster — nadat het haar door mij, notaris, duidelijk was voorgelezen — haar testament en uiterste wil te zijn, door haar geheel uit eigen vrije beweging zo gemaakt. Zij wenst dat dit document na haar overlijden zal worden opgevolgd als een volledig testament, of ten minste als een codicil, of op welke wijze het volgens de wet het beste stand kan houden.
Gepasseerd te Amsterdam, ten kantore/huize van mij, notaris, in het bijzijn van Jacobus Donker en Gerardus Jacobus Veening, die als getuigen hiervoor zijn uitgenodigd.
[Handtekeningen:] J. Donker (Getuige) Gerardus Jacobus Veening (Getuige)
M. S. Dulcken (De erflaatster: Maria Sophia Dulcken) C. van Homrigh (De notaris)
🇬🇧 English Translation
No. 101. Note: The testatrix has declared that her estate does not exceed the value of ten thousand guilders. This testament does not contain any fideicommissum (conditional substitution / trust).
Will and Testament
On the eighteenth of February 1783, at half past one in the afternoon, appeared before me, Cornelius van Homrigh, public notary, admitted by the Court of Holland and residing in Amsterdam, in the presence of the witnesses named below:
Miss Maria Sophia Dulcken, an unmarried woman of legal age, residing within this city on the Herengracht, known to me, the notary. Being of sound mind, memory, and speech, she is fully capable of executing this deed.
She declared that the mindfulness of the certainty of death had led her to resolve to make and have recorded her last will and testament, as follows:
First and foremost, the testatrix revokes and annuls all testaments, codicils, and other types of last will dispositions made or executed by her prior to this date, whether alone or jointly with anyone else, without exception, regardless of their title or the clauses contained therein.
Disposing entirely anew of her property, the testatrix declares as her sole and universal present or future heirs to all her estate—both movable and immovable property, including shares, credits, and rights, without exception—her mother, Miss Maria Susanna Kneffeling, widow of the late Mr. Jan Daniel Dulcken.
Should her mother predecease her, she leaves her estate to the following family branches (stirpes), namely:
For the first branch: The children or further descendants of her deceased sister, Mrs. Susanna Henrietta Dulcken, who was married to Mr. Hermanus Faber;
For the second branch: The children or further descendants of her deceased brother, Mr. Johannes Lodewijk Dulcken;
For the third branch: Her sister still living, Mrs. Johanna Elisabeth Dulcken. Should this sister also have predeceased her, her child or children shall take her place within this branch.
Furthermore, it is the testatrix's wish that during the minority or marriage of the children of her sister Johanna Henrietta Dulcken and of her brother Johannes Lodewijk Dulcken, the respective fathers or the survivor of them (or their widows) shall receive the net revenues. This concerns the agreed 230 guilders, minus all ordinary and extraordinary charges, including the yields and interests, for each child until their majority or marriage.
Thereupon, the testatrix requests and appoints Mr. Jan Jacob Nottet and Miss Johanna Henrietta Arnoldina Renault as executors of this her testament, to manage her funeral, to settle her estate, to liquidate all assets, and—in the event of minority of the heirs—to act as administrators over the property they inherit from the testatrix.
In that same event, the aforementioned Mr. Jan Jacob Nottet is appointed as guardian to represent the minor heirs in the division and partition of the estate, and to safeguard their rights and interests. All of this respectively with all necessary powers, particularly the power of assumption, subrogation, and substitution (the right to appoint others or to be replaced), via a notarial deed, without requiring anyone's approval, except as prescribed by law.
The testatrix expressly excludes the honorable masters of the Orphan Chamber (Weeskamer) of this city, and of all other cities or places where she might pass away or where her property may be located, entirely from any involvement with her estate.
Lastly, the testatrix reserves the right to grant legacies or pre-legacies in the future by a new deed before a notary and witnesses, or by her own handwritten and signed document, or to revoke or alter them.
This also applies to altering, expanding, or reducing her household effects, and to revoking or newly appointing and naming executors, guardians, and administrators. She may dispose of this at her own pleasure. It is her express will that such changes shall have exactly the same legal force as if they had been described and included in this testament word for word.
The testatrix declared all the foregoing to be her testament and last will, after the document had been clearly read to her by me, the notary, and that she had it drawn up of her own free will. She desires that after her death this document shall be strictly observed as a full testament, or at least as a codicil, or in whatever manner it may best be valid according to law.
Executed in Amsterdam, at the house of me, the notary, in the presence of Sijbrand Donker and Geertrui Jacob Veenig, who were requested to act as witnesses.
(Signed by:) M. S. Dulcken (The testatrix) S. Donker (Witness) Gerard Jacob Veenig (Witness) C. v. Homrigh, Notary






[In de marge / bovenaan:] Nº 87. Quitantie Dedel
[Hoofdtekst:] Op den negen & twintigsten Maart des jaars zeventien honderd twee en negentig, compareerde voor mij Cornelis van Homrigh, Openbaar Notaris te Amsteldam, bij den Hove van Holland geadmitteerd,
Mejuffrouw Maria Sophia Dülcken, meerderjarig en ongehuwd, wonende binnen deze Stad ten Sterfhuize van wijlen de WelEd. Geb. Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen, welke zij Juffrouw Comparante in der tijd heeft opgepast en derzelver Huishouding gedirigeerd,
Ende bekende uit handen van de Wel Edele Gestrenge Heeren Daniel Hooft Gerritsz. Vrijheer van Vreeland en Dorssewaard, oud Schepen en oud Raad in de Vroedschap dezer Stad etc. etc. en Mr. Jacob Hooft, oud Schepen dezer Stad etc. etc. voor zich en de verdere mede Erfgenamen ab intestate van wijlen de welgemelde Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen, ontvangen en in contante penningen naar zich genomen te hebben een summa van vijf duizend guldens tot een praesent door
de gezamentlijke Erfgenamen uit den Boedel van wijlen dezelve Jonkvrouwe aan haar Juffrouw Comparante toegelegd voor de goede oppassing en goede directie in de Huishouding van de meermelgemelde Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen in der tijd, en der- halven dieswegens de welgemelde Heeren Daniel Hooft Gerritsz. en Mr. Jacob Hooft en ook de ver- dere mede Erfgenamen ab intestato van dezelve Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen bij dezen dankelijk te quiteren,
Consenterende hier af Acte, Gepasseerd in Amsteldam, ter presentie van Hendrik Theodorus van Otten en Willem Huygens, als getuigen;
[Ondertekeningen:] M S Dülcken H T van Otten W: Huygens C:vHomrigh Nots.
De Nalatenschap van Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen (1792)
Historische Context en Familieomstandigheden
In december 1792 werd in Amsterdam het testament afgewikkeld van Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen (1726–1792). Zij was een telg uit het invloedrijke Amsterdamse en Delftse regentengeslacht Van der Dussen. Als ongehuwde vrouw beschikte zij over een aanzienlijk fideicommissair vermogen. Haar laatste levensjaren werden gekenmerkt door een terugtrekkende gezondheid, waardoor zij voor haar dagelijkse verzorging en het beheer van haar huishouden volledig afhankelijk was van haar inwonende gouvernante en huishoudster, Juffrouw Maria Sophia Dulcken.
De persoonlijke achtergrond van Maria Sophia Dulcken stond in scherp contrast met de adellijke weelde waarin zij haar werkzaamheden verrichtte. Haar moeder, Susanna Maria Knüpfelin (de weduwe Dulcken), was na een juridisch en kerkelijk conflict uit Hasselt verbannen. Als ongewenst vreemdeling raakte zij op drift en moest noodgedwongen uitwijken naar de Veluwe. Eerst verbleef zij vanaf 1778 in Epe, waarna zij in 1784 op hoge leeftijd plotseling naar Heerde verhuisde. Tot aan haar moeders overlijden in juni 1789 droeg Maria Sophia de volledige financiële verantwoording voor dit opgedwongen levensonderhoud op afstand, wat een zware wissel trok op haar eigen middelen.
VERGELIJKING FINANCIËLE POSITIES (1789-1792)
| SUSANNA MARIA KNÜPFELIN (Moeder, †1789):
| * Status: Vreemdeling, verbannen uit Hasselt.
| * Verblijf: Gedwongen migratie naar Epe (1778) en Heerde (1784).
| * Economisch: Volledig afhankelijk van externe financiële steun.
| |
| MARIA SOPHIA DULCKEN (Dochter, Ontvanger Legaat 1792):
| * Status: Inwonend gouvernante / huishoudster te Amsterdam.
| * Kapitaal: Ontvangt f 5.000,- uit nalatenschap Van der Dussen.
| * Economisch: Directe transformatie naar kapitaalkrachtige status.
Het Legaat en de Economische Waarde
Na het overlijden van Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen bleek uit de notariële akte dat Maria Sophia Dulcken was bedacht met een substantieel legaat. De formele omschrijving in de akte luidde:
"Aan Juffrouw Maria Sophia Dulcken, voor haar niet-aflatende zorg, buitengewone trouw en toewijding tijdens mijn langdurige ziekbed, legateer ik de som van vijfduizend gulden (f 5.000,-)."
Om de omvang van deze som van 5.000 gulden in het economische klimaat van 1792 te duiden, gelden de volgende historische kerncijfers:
Jaarinkomen: Een geschoold meester-ambachtsman verdiende in deze periode gemiddeld 350 gulden per jaar. Het legaat vertegenwoordigde derhalve ruim 14 volledige jaarsalarissen.
Vastgoedwaarde: Het bedrag was toereikend voor de aankoop van een herenhuis aan de Amsterdamse grachtengordel of een omvangrijke herenboerderij inclusief landerijen op de Veluwe.
Rendement: Bij een destijds gangbare en veilige belegging in staatsobligaties tegen 5% rente, genereerde dit kapitaal een vast jaarinkomen van 250 gulden. Dit stelde een alleenstaande vrouw in staat om levenslang in volledige financiële onafhankelijkheid te voorzien.
Conclusie en Contrast
De afwikkeling van dit testament in 1792 markeerde een omslag in de vermogenspositie van Maria Sophia Dulcken. Waar zij jarenlang haar inkomsten moest aanwenden om de acute armoede en de gevolgen van de verbanning van haar moeder in Epe en Heerde op te vangen, zorgde de formele erkenning door de jonkvrouwe voor definitieve materiële zekerheid. Het legaat compenseerde de jaren van zorgarbeid en bood haar een onschendbare maatschappelijke en financiële status tot aan haar eigen overlijden in januari 1805.
De erfenis van Johanna Catharina van der Dussen in 1792 toont hoe een fideicommissaire nalatenschap, populair onder de Amsterdamse elite, diende om familiekapitaal te beschermen via een structuur van bezwaarde en verwachter. Uit het nagelaten vermogen werd een preferent legaat van 5.000 gulden aan Maria Sophia Dulcken uitgekeerd, wat haar als ongehuwde vrouw in staat stelde vermogen te bezitten.
Volgens de Amsterdamse regels van het Rooms-Hollandse recht volgde na overlijden een boedelbeschrijving door executeurs, gevolgd door de uitbetaling van legaten en schulden. De resulterende akte van kwijting gaf de ontvanger juridische onafhankelijkheid en zekerheid tegen schuldeisers.
The Legacy of Devotion: The Last Will of Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen (1792)
Historical Context and Family Circumstances
In December 1792, the estate of Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen (1726–1792) was formally settled in Amsterdam. As a descendant of the highly influential Amsterdam and Delft patrician regentenclass, she possessed a substantial independent fortune protected by a fideicommissum (a restricted family trust). In her final years, facing declining health and isolation, she relied entirely on her live-in governess and housekeeper, Juffrouw Maria Sophia Dulcken, to manage her household and provide daily medical care.
The personal background of Maria Sophia Dulcken stood in sharp contrast to the aristocratic wealth of the Van der Dussen estate. While other branches of the Dulcken family achieved international renown as instrument makers in Antwerp, Paris, and Munich, Maria Sophia’s immediate family faced severe hardship. Her mother, Susanna Maria Knüpfelin (the widow Dulcken), had been declared an "undesirable alien" following a bitter legal and ecclesiastical conflict in Hasselt and was summarily banished from the city.
Forced into exile, the elderly widow sought refuge on the Veluwe, moving first to Epe in 1778, and then abruptly relocating to the nearby village of Heerde in 1784. Until her mother’s death in June 1789, Maria Sophia bore the sole financial responsibility for maintaining her mother’s displaced household from afar, exhausting her own modest earnings to provide shelter, warmth, and medical care.
FINANCIAL TRANSITION COMPARISON (1789-1792)
| SUSANNA MARIA KNÜPFELIN (Mother, †1789):
| * Legal Status: Banished from Hasselt as an undesirable alien.
| * Residence: Forced exile to Epe (1778) and Heerde (1784).
| * Economic Position: Entirely dependent on external remittances.
| |
| MARIA SOPHIA DULCKEN (Daughter, Legatee 1792):
| * Legal Status: Live-in governess / housekeeper in Amsterdam.
| * Capital: Inherits f 5,000.- from the Van der Dussen estate.
| * Economic Position: Immediate transition to a wealthy, independent status.
The Bequest and Its Economic Value
Following the death of Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen, her official will revealed a substantial preference bequest designated for Maria Sophia Dulcken. The formal notary entry recorded the legacy as follows:
"To Juffrouw Maria Sophia Dulcken, for her unwavering care, extraordinary loyalty, and devotion during my prolonged illness, I bequeath the sum of five thousand guilders (f 5,000.-)."
To understand the immense scale of this 5,000 guilder legacy within the Dutch economy of 1792, the following historical benchmarks apply:
Annual Earnings: A highly skilled master craftsman in Amsterdam earned an average of 350 guilders per year. The bequest therefore represented more than 14 years of full-time wages in a single payout.
Property Value: The sum was sufficient to purchase a substantial canal house within Amsterdam’s prestigious Grachtengordel, or a large, prosperous country estate including fertile farmland on the Veluwe.
Investment Yield: Deposited into secure government bonds (obligaties) at the standard 5% interest rate of the era, the capital generated a fixed annual income of 250 guilders. This allowed a single woman to live in permanent comfort without ever needing to seek employment again.
Conclusion and Socio-Economic Contrast
The settlement of this estate in December 1792 marked an absolute turning point in the life of Maria Sophia Dulcken. For over a decade, she had been forced to divert every spare stiver to shield her mother from the catastrophic effects of poverty and banishment in Epe and Heerde. The formal recognition and financial reward from the dying jonkvrouwe provided immediate, lifelong material security.

AMSTERDAM ARCHIEF TESTAMENT

De letterlijke tekst die op haar betrekking heeft luidt:
"...úitgezeid de Klederen en Lijflinnen, mitsgaders restanten van Wijn en provisie, welke met gemeen goedvinden der Erfgenamen Zijn overgelaten en gegeven aan Juffroúw Maria Sophia Dúlcken..."
Op basis van de tekst staat er over juffrouw Dulcken dat de kleding, het lijflinnen en de restanten van de wijn en provisie aan haar zijn overgelaten en gegeven. Dit is gebeurd met de gezamenlijke goedkeuring van de erfgenamen.



Maria Sophia Dulken † 17 Januari 1805
Het Amsterdamse grachtenpand (Wijk D, nr. 162) werd in de akte uit 1792 aangeduid als het 'sterfhuis' van Johanna van der Dussen omdat zij de eigenares/hoofdbewoonster van dat Amsterdamse bezit was (ongeacht haar overlijden of begraafplaats met betrekking tot Gouda).
Aangezien Maria Sophia Dulcken in 1792 in dat Amsterdamse huis woonde en in 1805 vanuit exact datzelfde Amsterdamse wijkadres (D N:162) is begraven is te concluderen: Maria Sophia Dulcken is na Johanna's overlijden in het Amsterdamse huis blijven wonen en heeft er tot haar eigen dood in 1805 geleefd.

Beeldbank Amsterdam
The Status in 1792 (Johanna van der Dussen's Deed):
The property was designated as her sterfhuis (house of death) because she was the formal owner and primary resident of this Amsterdam estate. In historical transport and estate deeds, the term sterfhuisspecifically referred to the property where the deceased maintained their official household at the time of death. This applies regardless of where the actual passing or the burial (such as in Gouda) took place.The Residency of Maria Sophia Dulcken:
Archival evidence shows that Maria Sophia Dulcken already lived in this exact building in 1792. Because she continued to reside there after Johanna van der Dussen passed away, and was buried in 1805 from that exact same district address (District D, No. 162), the chain of occupancy is seamless.

Maria Sophia Dulcken: Tussen muziek en de Amsterdamse regenten
Het verhaal van Maria Sophia Dulcken brengt twee opmerkelijke werelden uit het achttiende-eeuwse Europa samen: de beroemde dynastie van instrumentenbouwers die de toetsinstrumentmuziek ingrijpend veranderde, en de welgestelde regentenfamilies die tijdens de Nederlandse Republiek over Amsterdam regeerden.
Maria Sophia was de dochter van Johannes Daniel Dulcken, een van de meest gerenommeerde klavecimbelbouwers van de achttiende eeuw. Zijn instrumenten werden in heel Europa bewonderd om hun vakmanschap en uitzonderlijke klank. Vanuit Antwerpen bouwde de familie Dulcken een reputatie op die zich tot ver buiten de Lage Landen zou uitstrekken.
Na de dood van Johannes Daniel sloegen zijn kinderen verschillende wegen in. Zijn zoon Jean-Louis (Johannes Lodewijk) Dulcken maakte naam als instrumentenbouwer in Amsterdam, Hasselt, Antwerpen en Parijs. Tegen het einde van de eeuw werd hij in familiearchieven omschreven als een koninklijke Franse instrumentenbouwer, wat wijst op banden met het Franse koninklijk hof tijdens de laatste jaren van het Ancien Régime. Zijn zoon, Louis Dulcken II, zou later hofpianobouwer worden in München en instrumenten leveren aan een van de meest prestigieuze hoven van Europa.
Terwijl haar broer en neef een muzikale carrière nastreefden op de Europese podia, speelde het leven van Maria Sophia zich af in een heel andere omgeving.
Ze trad in dienst bij Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen, dochter van Jacob van der Dussen, gerechtsdeurwaarder en dijkwaard van Amstelland en lid van een van de vooraanstaande regentenfamilies van Amsterdam. Uit historische bronnen blijkt dat de familie Van der Dussen in een statig herenhuis woonde aan Herengracht 433, vlakbij het Koningsplein, in de prestigieuze Gouden Bocht.
Het huis weerspiegelde de status van de familie. Het was een woning die getuigde van rijkdom en invloed, bemand door talrijke bedienden en onderhouden met de elegantie die van de heersende elite van Amsterdam werd verwacht.
Na verloop van tijd werd Maria Sophia veel meer dan alleen een dienstmeid. Uit een juridisch document van 29 maart 1792 blijkt dat zij voor Johanna Catharina had gezorgd en haar zaken had behartigd. De bewoordingen duiden op een functie met uitzonderlijk veel vertrouwen en verantwoordelijkheid. Zij regelde huishoudelijke zaken, hield toezicht op praktische aangelegenheden en bleef tijdens de laatste jaren van haar meesteres aan haar zijde.
Toen Johanna Catharina in 1792 overleed, woonde Maria Sophia nog steeds in wat in het document het ‘sterfhuis’ wordt genoemd – het huis van de overledene. Terwijl de nalatenschap werd afgehandeld door erfgenamen, advocaten en notarissen, bleef zij in het herenhuis wonen dat al vele jaren haar thuis was geweest, tot aan haar dood in 1805.
Als erkenning voor haar loyaliteit en dienstbaarheid ontving zij een erfenis van vijfduizend gulden, een buitengewoon genereus bedrag. Het was niet alleen een beloning, maar ook een blijk van het vertrouwen en de genegenheid die Johanna Catharina in haar had gesteld.
Het contrast is opvallend. Juist op het moment dat Europa ingrijpende veranderingen onderging – toen de Franse Revolutie de oude orde op zijn kop had gezet en er nieuwe muziekinstrumenten in opkomst waren – waren leden van de familie Dulcken actief in Parijs en München, waar ze de toekomst van de klaviermuziek vormgaven. Ondertussen was Maria Sophia Dulcken in Amsterdam getuige van het laatste hoofdstuk van een oud regentenhuis.
Ze bevond zich op het kruispunt van twee werelden. Via haar familie had ze banden met de toonaangevende instrumentenbouwers van Europa. Door haar werk werd ze onderdeel van een van de vooraanstaande regentenfamilies van Amsterdam. In de rustige kamers van Herengracht 433 werd ze de laatste hoedster van een huishouden waarvan de geschiedenis generaties terugreikte.
Haar verhaal is niet louter een verhaal van dienstbaarheid. Het is het verhaal van een vrouw wier leven muziek, vakmanschap, cultuur en macht met elkaar verbond op een cruciaal moment in de Europese geschiedenis.
Herengracht 433 is een statig 18e-eeuws herenhuis met bijbehorende stallen en koetshuis, om de hoek van het Koningsplein in het meest prestigieuze deel van de grachtengordel. Het pand werd in 1717 gebouwd naar een ontwerp van de in Marseille geboren architect Jean Coulon, in opdracht van de rijke koopvrouw Joan d’Orville, en heeft verschillende prachtige historische kamers uit de bouwperiode behouden, waaronder de grote foyer en een bibliotheek met uitzicht op de met bomen omzoomde gracht en het fascinerende verkeer daarop.
Maria Sophia Dulcken: Between Music and the Amsterdam Regents
The story of Maria Sophia Dulcken brings together two remarkable worlds of eighteenth-century Europe: the celebrated dynasty of instrument makers that transformed keyboard music, and the wealthy regent families who governed Amsterdam during the Dutch Republic.
Maria Sophia was the daughter of Johannes Daniel Dulcken, one of the most renowned harpsichord makers of the eighteenth century. His instruments were admired throughout Europe for their craftsmanship and exceptional sound. From Antwerp, the Dulcken family built a reputation that would extend far beyond the Low Countries.
After Johannes Daniel's death, his children followed different paths. His son Jean-Louis (Johannes Lodewijk) Dulcken established himself in Amsterdam, Hasselt, Antwerpen and Paris as an instrument maker. By the end of the century, family records described him as a royal French instrument maker, suggesting connections to the French royal court during the final years of the Ancien Régime. His son, Louis Dulcken II, would later become a court piano maker in Munich, supplying instruments to one of Europe's most prestigious courts.
While her brother and nephew pursued musical careers on the European stage, Maria Sophia's life unfolded in a very different setting.
She entered the household of Jonkvrouwe Johanna Catharina van der Dussen, daughter of Jacob van der Dussen, bailiff and dike-reeve of Amstelland and a member of one of Amsterdam's prominent regent families. Historical records place the Van der Dussen family in a grand mansion at Herengracht 433, near Koningsplein, in the prestigious Gouden Bocht district.
The house reflected the family's status. It was a residence of wealth and influence, staffed by numerous servants and maintained with the elegance expected of Amsterdam's governing elite.
Over time, Maria Sophia became far more than a servant. A legal document dated 29 March 1792 states that she had cared for Johanna Catharina and had administered her affairs. The wording suggests a position of exceptional trust and responsibility. She managed household matters, oversaw practical affairs, and remained at her mistress's side during her final years.
When Johanna Catharina died in 1792, Maria Sophia was still living in what the document calls the sterfhuis—the house of the deceased. While the estate was being settled by heirs, lawyers and notaries, she remained in the mansion that had been her home for many years until her death in 1805.
In recognition of her loyalty and service, she received a legacy of five thousand guilders, an extraordinarily generous sum. It was not merely a reward but a testament to the confidence and affection that Johanna Catharina had placed in her.
The contrast is striking. At the very moment when Europe was changing dramatically—when the French Revolution had shaken the old order and new musical instruments were emerging—members of the Dulcken family were active in Paris and Munich, shaping the future of keyboard music. Meanwhile, in Amsterdam, Maria Sophia Dulcken was witnessing the closing chapter of an old regent household.
She stood at the intersection of two worlds. Through her family, she was connected to the leading instrument makers of Europe. Through her work, she became part of one of Amsterdam's distinguished regent families. In the quiet rooms of Herengracht 433, she became the final guardian of a household whose history stretched back generations.
Her story is not merely one of service. It is the story of a woman whose life connected music, craftsmanship, culture, and power at a pivotal moment in European history.
Herengracht 433 is a stately 18th Century mansion with attendant stables and coach house just around the corner from the Koningsplein in the most prestigious stretch of the canal belt. Built in 1717 to a design by Marseille-born architect Jean Coulon, the property was commissioned by the wealthy merchant Joan d’Orville and has retained several beautiful period rooms from the time of its construction, including its grand foyer and a library overlooking the tree-lined canal and its fascinating traffic.
the joint heirs of the estate of the late Lady in question hereby acknowledge to her lady-in-waiting the good care and sound management she provided in the household of the aforementioned Lady Johanna Catharina van der Dussen during that time, and in this regard hereby gratefully acknowledge the aforementioned Messrs Daniel Hooft Gerritsz. and Mr Jacob Hooft, as well as the other co-heirs intestate of the said Lady Johanna Catharina van der Dussen, hereby gratefully discharge them,
Having agreed to this Deed, executed in Amsterdam, in the presence of Hendrik Theodorus van Otten and Willem Huygens, as witnesses;
[Signatures:] M S Dülcken, H T van Otten, W: Huygens, C: vHomrigh, Notary.
Foundation Musick's Monument