
🇬🇧 English Translation
🇩🇪 Deutsche Übersetzung



modern Nederlands
Verklaringen
Op de ondergetekende datum is voor de afgevaardigden (deputaten) verschenen Daniel Schnell, soldaat bij de invaliden¹ in het garnizoen te Antwerpen, en lidmaat van de plaatselijke Hervormde Gemeente. Hij verklaarde het volgende:
Dat dominee Diepelius, predikant aldaar, dagelijks de herbergen bezocht en er vaak stomdronken vandaan kwam om weer naar huis te gaan.
Dat toen hij, Daniel Schnell, bij de poort stond op het moment dat de kerkdienst zou beginnen, het gebeurde dat een zekere Johan Diderich Wessel (een korporaal die net uit de kerk terugkeerde) hem vertelde wat de predikant had gedaan. De predikant had hem drank ingeschonken en hem daarna toegebitst dat hij maar op een andere plaats moest gaan zitten. Hij had de predikant horen vragen "of hij soms niet net zo goed was als een ander", waarop de predikant had geantwoord: "Nee!" Waarna de predikant was opgestaan en weggestrompeld. Dit alles werd Schnell achteraf ook bevestigd door anderen die op dat moment in de kerk aanwezig waren geweest en het hadden zien gebeuren.
Verder verklaarde deze Schnell dat hij op een zeker moment in gesprek was met dominee Diepelius, en dat de dominee zich daarbij had laten gaan in verregaande lasteringen, zowel aan het adres van de keizerin-koningin² als aan het adres van de thans regerende keizerlijke majesteit³. Hij zei namelijk: dat de keizerin een grote hoer was, of op zijn minst een rasechte hoer. En dat de keizer wel een sodomiet moest zijn, want anders was het volgens hem onmogelijk dat een man van zijn leeftijd, die zo'n goed leven leidde, zich van een vrouw zou kunnen onthouden.
Schnell verklaarde dat hij dit met groot afgrijzen had aangehoord. De predikant moet dit vermoedelijk ook tegen anderen hebben gezegd, aangezien Schnell hier naderhand al door verschillende mensen naar is gevraagd. Hij wist in ieder geval zeker dat de predikant dit ook tegen Schnells schoonzoon had gezegd. Schnell vond eigenlijk dat hij verplicht was dit aan zijn superieure officier te melden, maar hij had besloten dit vooralsnog geheim te houden en eerst de afgevaardigden (van de synode) hiervan op de hoogte te stellen.
Nadat dit alles een aantal malen aan de genoemde Schnell was voorgelezen en voor hem in het Hoogduits was vertaald, verklaarde hij dat hij bereid en in staat is dit te allen tijde onder ede te bevestigen. Nadat hem op het grote gewicht van de eed en de gevolgen van de beschuldiging was gewezen, bleef hij bij zijn aanbod. Als bewijs daarvan heeft hij dit met zijn eigen hand medeondertekend, in aanwezigheid van alle afgevaardigden.
Gedaan te Breda, 9 juli 1774.
Daniel Schnell
Historische toelichting bij de tekst:
¹ Invaliden: Dit verwijst in de 18e eeuw niet naar zwaar gehandicapten, maar naar oudere beroepssoldaten die vanwege hun leeftijd of lichamelijke gebreken niet meer geschikt waren voor de actieve velddienst, maar nog wel lichtere garnizoens- of bewakingstaken uitvoerden (zoals de wacht houden bij de poort). ² Keizerin-koningin: Dit slaat op Maria Theresia van Oostenrijk, die destijds regeerde over de Oostenrijkse Nederlanden (waar Antwerpen toen onder viel). Haar uitschelden voor hoer was destijds een halsmisdaat (majesteitsschennis). ³ Regerende keizerlijke majesteit: Haar zoon, keizer Jozef II, die sinds 1765 mederegent was.
🇬🇧 English Translation
Statements
On the date written below appeared before the Deputies Daniel Schnell, soldier under the Invalids in garrison at Antwerp, and member of the Reformed Congregation there, and declared:
That Domine Diepelius, preacher there, daily frequented the taverns and often returned home from them in a drunken state.
That while he, Daniel Schnell, was at the gate when divine service was about to begin, it happened that a certain Johan Diderich Wessel, a corporal coming from the way, returning from the church, told him that the preacher had poured him a drink and thereafter barked at him to go and sit in another place. That he heard the preacher being asked "whether he was not as good as another"; to which the preacher answered: "No!" after which he stood up and went away. That the same was later recounted to him, Schnell, by those who had been present in the church at that time, as having so happened.
Furthermore, the said Schnell declared that at a certain time, being in conversation with Domine Diepelius, the latter had vented himself in far-reaching slanders, both regarding the person of the Empress-Queen and regarding His currently Reigning Imperial Majesty, to wit: That the Empress was a great whore, or at least a pure whore. That the Emperor must be a sodomite, because without that it was not possible that a man of his years, and one who lived such a good life, could abstain from a woman.
That he, Schnell, had listened to this with great abhorrence. That the preacher had presumably also said this to others, because he had already been questioned about this once or twice afterwards. That he, at least, knew well that the preacher had also said this to the son-in-law of him, Schnell. That he was indeed obliged to give notice of this to his officer, but that he had resolved to conceal it for the time being, but to inform the Deputies thereof.
This aforementioned having been read to the said Schnell several times and made translatable into High German, he declared himself capable of confirming this at all times by oath; and the weight of the oath and the presentation thereof having been brought to his attention, he persisted in his offer and in witness thereof he signed this with his own hand in the presence of all Deputies.
Done at Breda, July 9, 1774.
Daniel Schnell
🇩🇪 Deutsche Übersetzung
Aussagen
Am unten geschriebenen Datum erschien vor den Deputierten Daniel Schnell, Soldat bei den Invaliden in der Garnison zu Antwerpen und Mitglied der dortigen reformierten Gemeinde, und erklärte:
Dass Domine Diepelius, dortiger Prediger, täglich die Herbergen aufsuchte und oft betrunken von ebendort nach Hause zurückkehrte.
Dass, als er, Daniel Schnell, am Tor stand, als der Gottesdienst beginnen sollte, es geschah, dass ein gewisser Johan Diderich Wessel, Korporal, der des Weges kam und aus der Kirche zurückkehrte, ihm erzählte, dass der Prediger ihm eingeschenkt und ihm danach zugerufen habe, er solle sich an einen anderen Platz setzen. Dass er den Prediger fragen hörte, „ob er nicht so gut sei wie ein anderer“; worauf der Prediger zur Antwort gegeben habe: „Nein!“, woraufhin er aufgestanden und weggegangen sei. Dass ihm, Schnell, dasselbe hernach von solchen, die zu jener Zeit in der Kirche gegenwärtig gewesen waren, als so geschehen erzählt wurde.
Ferner erklärte derselbe Schnell, dass er zu einer gewissen Zeit mit Domine Diepelius im Gespräch gewesen sei und dieser sich in weitreichenden Lästerungen ergangen habe, sowohl über die Person der Kaiserin-Königin als auch über Seine derzeit Regierende Kaiserliche Majestät, namentlich: Dass die Kaiserin eine große Hure, zumindest eine lupenreine Hure sei. Dass der Kaiser ein Sodomit sein müsse, denn ohne das sei es nicht möglich, dass ein Mann in seinen Jahren, der ein so gutes Leben führe, sich von einer Frau enthalten könne.
Dass er, Schnell, dies mit großem Abscheu angehört habe. Dass der Prediger dies vermutlich auch noch gegen andere gesagt haben müsse, weil er deswegen hernach bereits ein- oder mehrmals gefragt worden sei. Dass er zumindest wohl wisse, dass der Prediger dies auch gegen den Schwiegersohn von ihm, Schnell, gesagt habe. Dass er wohl verpflichtet gewesen sei, seinem Offizier hiervon Mitteilung zu machen, dass er jedoch ratsam befunden habe, solches vorerst noch zu verbergen, aber die Deputierten davon zu unterrichten.
Dieses Vorstehende ist dem genannten Schnell ein- und mehrmals vorgelesen und ins Hochdeutsche übersetzbar gemacht worden, woraufhin er erklärte, befugt (imstande) zu sein, dies zu allen Zeiten mit einem Eid zu bekräftigen; und nachdem ihm das Gewicht des Eides und das Vorbringen desselben vor Augen geführt worden war, beharrte er auf seinem Anerbieten, und zum Beweis dessen hat er dies mit seiner eigenen Hand mitunterzeichnet in Gegenwart aller Deputierten.
Gegeben zu Breda, den 9. Juli 1774.
Daniel Schnell
Foundation Musick's Monument