










REGLEMENT VOOR DEN BRABANDSCHEN OLIJFBERG.
Art. 1. — Op den eenen dag des Heeren zal de predikant des voordemiddags
prediken over eene Zondagsafdeling in den Heidelbergschen Catechismus, op
den volgenden dag des Heeren zal hij 's voordemiddags prediken over een
vrijen stoffe en des nademiddags zal hij catecheseren over de afdeling van den
Catechismus des Zondags tevoren behandeld en bij gebrek van bekwame
beantwoorders zal hij dan de catechetische stoffe repeteren.
Art. 2. - De bediening van het Avondmaal zal na voorafgaande bekend-
making aan de gemeente vier maal des jaars op de gewone tijden gehouden
worden. Verder zal de predikant met een ouderling voor het houden des
avondmaals, ten minste twee maal des jaars behoorlijk huisbezoeking doen,
mitsgaders des Zondags tevoren de voorbereiding prediken, en na het houden
des Avondmaals op den eerstvolgenden godsdienst-tijd eene dankzeggingspre-
dikatie doen.
Art. 3. - Men zal de godsdienst-oeffeningen, zoo de predikatien als de
publieque catechisatien en de bediening van het H. Avondmaal op vastbe-
paalde tijden en uuren stellen; te weeten, des voordemiddags te 10 uuren en
des nademiddags te 3 uuren.
Art. 4. — Men zal uit de beste ledematen van de gemeente, beneffens den
predikant een ordentelijken kerkenraad aanstellen : of aangesteld zijnde, tragten
te behouden, welke zoo het weezen kan, uit 2 ouderlingen en 2 diakenen zal
bestaan ; waarvan de helft jaarlijks op gezetten tijd zal afgaan (die dan 2 jaa-
ren, indien er stof is, moeten stille zitten, eer zij wederom verkiesbaar zijn)
en 2 nieuwe leeden in de plaats verkozen worden ; die dan ook tot 3 maalen
toe aan de gemeente zullen worden voorgesteld en volgens het
gewoone
formulier in hunnen dienst bevestigd ; doch indien er zooveel stof niet is, zal
men, zoveel mogelijk is, verzorgen, dat de kerkenraad ten minste uit den pre-
dikant, eenen ouderling en eenen diaken bestaat, welke
1°. met den predikant nu en dan op eene behoorlijke wijze, onder aanroe-
ping van God's naam en vooral, voor het houden van 't H. Avondmaal, zullen
bij den anderen koomen om alles wat tot de goede orde en de stigting der
gemeente vereischt wordt, te overleggen en met dankzegging tot God te
scheiden.
2°. van al 't verhandelde zal nauwkeurig aantekening gehouden worden
door den predikant in een boek, welke aantekening voor het sluiten der ver-
gadering met dankzegging, den kerkenraad voorgeleezen zijnde, door denzelven
predikant ondertekend zal worden ; en zal hij dit acte boek onder zijne bewa-
ring hebben, mits hetzelve telkens, wanneer de kerkenraad vergadert, in de
vergadering medebrengende.
3°. zullende ook jaarlijks van het kort summier van het werk aan de Ged.
van de Z-Hollandsche Synodus communicatie en geschrift gegeven worden.
Bij absentie of ontbreking van eenen ouderling of diaken zal de ouderling
het werk van den diaken en de diaken het werk van den ouderling vervangen.
Art. 5. - Zullen in de oeffening van den godsdienst de ouderlingen aan de
regter — en de diakenen aan de slinker zijde onmiddellijk naast den predikant
zitten ; zullende de kerkenraad ook de beschikking hebben over de zitplaatsen
van de gemeente tot vermijding van alle geschillen, die hierover zouden kon-
nen vallen.
Art. 6. — De predikant zal na het eindigen van elken predikdienst en pu-
blieque catechisatie of onder dezelve de gemeente vermanen tot mildadigheid
aan den armen ; en de liefdegaven door de diakenen ingezameld, aanstonds na
het eindigen van den godsdienst in een boek aantekenen in de tegenwoor-
digheid van de leden des kerkenraads. Welk ingezameld geld door de diakenen
zal worden, doch niet dan met voorweten en toestemming van den predikant.
Verder zullen diakenen jaarlijks aan den kerkeraad verantwoording doen
van derzelver ontvangst en uitgave, en zal de diaconye-rekening jaarlijks
den Dep. door den predikant overgezonden moeten worden. Het boek hiervan
te houden zullen diakenen onder zich mogen hebben; doch zoo dikwijls de
kerkenraad dat requireert hetzelve aan de vergadering moeten vertoonen. Ten
tijde der verantwoording zullen zij door de overige leden van den kerkenraad
de rekening laaten nazien en opnemen; en ten blijke hunner goedkeuring
doen ondertekenen tot hunne décharge.
In gevalle er eene aanmerkelijke somma van armepenningen mogt voor-
handen zijn, zal de kerkenraad met onderling beraad dezelve beleggen in
goede en suffisante effecten, bovenal in Hollandsche of generaliteits-obligatien.
Verder zal de kerkenraad geen effecten of obligatien mogen verkopen of aliene-
ren dan met voorkennis van Dep.; en de diakenen aftredende van hun emploij,
zullen het boek benevens het saldo van penningen aan de vergadering overge-
ven.
Alle andere gelden, papieren, effecten of andere instrumenten, welke de
diacony of de gemeente behoren, moeten in een daartoe geschikte kist gelegd
en bewaard worden. Die kist zal bij den predikant aan huis, en in geval de
plaats vacant is, bij den ouderling berusten. Aan die kist moeten drie onder-
scheidene sloten zijn, waarvan de drie onderscheidene sleutels moeten zijn in
onderscheidene handen ; een in die van den predikant, een in die van een ouder-
ling, een in die van een diaken; en een van die 3 voor eenigen tijd van huis
gaande, zal zijn sleutel in handen van een der thuisblijvende leden laten ; ook
zal men wel zorgen, dat nimmer de sleutel in of onder één hand gesteld en
gelaten worde; en in gevalle de kerkenraad alleen uit 3 leeden bestaande
2 leeden van dezelve voor eenigen tijd afwezig zijn, zal ten minste een sleutel
zoo lang aan een der vertrouwste leeden der gemeente ter hand gesteld worden.
Art. 7. - De predikant zal in het bijzonder zich benaarstigen
1. In het onderwijzen der kinderen in de eerste beginselen der goddelijke
waarheden.
2. In het catechiseeren van meer bejaarden ten einde dezelve bekwaam
en stigtelijk in den wandel bevonden wordende, na voorgaande belijdenisse,
tot Ledematen der gemeente aangenomen worden, hetwelk geschieden zal ten
overstaan van een ouderling, zullende ook de aangenomen ledematen der
Art. 8. - De predikant zal nauwkeurig aantekening houden in onderschei-
den boeken
1. niet alleen van de aangenomene of met attestatie aangekomene en met
attestatie vertrekkende ledematen
2. maar ook van de getrouwde personen
3. gelijk mede van de gedoopte kinderen
welke onderscheidene boeken bij den predikant zorgvuldig bewaard en aan
den kerkenraad bij het doen van de diacony-rekening vertoond zullen worden.
Art. 9. - Geen kerkelijke censuur zal geoeffend mogen worden anders
dan volgens de Nederlandsche kerkenordening.
Art. 10. - De predikant van huis gaande, zal zorge dragen dat zijn dienst
des Zondags, indien het eenigsins mogelijk is, waargenomen worde en aan de
REGLEMENT VOOR DEN BRABANDSCHEN OLIJFBERG.
Art. 1. — Op den eenen dag des Heeren zal de predikant des voordemiddags
prediken over eene Zondagsafdeling in den Heidelbergschen Catechismus, op
den volgenden dag des Heeren zal hij 's voordemiddags prediken over een
vrijen stoffe en des nademiddags zal hij catecheseren over de afdeling van den
Catechismus des Zondags tevoren behandeld en bij gebrek van bekwame
beantwoorders zal hij dan de catechetische stoffe repeteren.
Art. 2. - De bediening van het Avondmaal zal na voorafgaande bekend-
making aan de gemeente vier maal des jaars op de gewone tijden gehouden
worden. Verder zal de predikant met een ouderling voor het houden des
avondmaals, ten minste twee maal des jaars behoorlijk huisbezoeking doen,
mitsgaders des Zondags tevoren de voorbereiding prediken, en na het houden
des Avondmaals op den eerstvolgenden godsdienst-tijd eene dankzeggingspre-
dikatie doen.
Art. 3. - Men zal de godsdienst-oeffeningen, zoo de predikatien als de
publieque catechisatien en de bediening van het H. Avondmaal op vastbe-
paalde tijden en uuren stellen; te weeten, des voordemiddags te 10 uuren en
des nademiddags te 3 uuren.
Art. 4. — Men zal uit de beste ledematen van de gemeente, beneffens den
predikant een ordentelijken kerkenraad aanstellen : of aangesteld zijnde, tragten
te behouden, welke zoo het weezen kan, uit 2 ouderlingen en 2 diakenen zal
bestaan ; waarvan de helft jaarlijks op gezetten tijd zal afgaan (die dan 2 jaa-
ren, indien er stof is, moeten stille zitten, eer zij wederom verkiesbaar zijn)
en 2 nieuwe leeden in de plaats verkozen worden ; die dan ook tot 3 maalen
toe aan de gemeente zullen worden voorgesteld en volgens het
gewoone
formulier in hunnen dienst bevestigd ; doch indien er zooveel stof niet is, zal
men, zoveel mogelijk is, verzorgen, dat de kerkenraad ten minste uit den pre-
dikant, eenen ouderling en eenen diaken bestaat, welke
1°. met den predikant nu en dan op eene behoorlijke wijze, onder aanroe-
ping van God's naam en vooral, voor het houden van 't H. Avondmaal, zullen
bij den anderen koomen om alles wat tot de goede orde en de stigting der
gemeente vereischt wordt, te overleggen en met dankzegging tot God te
scheiden.
2°. van al 't verhandelde zal nauwkeurig aantekening gehouden worden
door den predikant in een boek, welke aantekening voor het sluiten der ver-
gadering met dankzegging, den kerkenraad voorgeleezen zijnde, door denzelven
predikant ondertekend zal worden ; en zal hij dit acte boek onder zijne bewa-
ring hebben, mits hetzelve telkens, wanneer de kerkenraad vergadert, in de
vergadering medebrengende.
3°. zullende ook jaarlijks van het kort summier van het werk aan de Ged.
van de Z-Hollandsche Synodus communicatie en geschrift gegeven worden.
Bij absentie of ontbreking van eenen ouderling of diaken zal de ouderling
het werk van den diaken en de diaken het werk van den ouderling vervangen.
Art. 5. - Zullen in de oeffening van den godsdienst de ouderlingen aan de
regter — en de diakenen aan de slinker zijde onmiddellijk naast den predikant
zitten ; zullende de kerkenraad ook de beschikking hebben over de zitplaatsen
van de gemeente tot vermijding van alle geschillen, die hierover zouden kon-
nen vallen.
Modern Nederlandse Vertaling
[Pagina 1]
Geheime Notulen (Post Acta) van de Afgevaardigden van de Synode van Zuid-Holland, opgesteld tijdens de Synode in Breda, gehouden in juli 1714.
Artikel 1.
Toen de afgevaardigden in Den Haag vergaderden, kregen zij een brief in handen uit Antwerpen, geschreven door een zekere Daniel Duliken. Deze brief bevatte zware beschuldigingen tegen dominee Dipelius, de lokale predikant aldaar. De beschuldigingen waren:
Dat hij zijn eigen knecht in het openbaar in de kerk, nota bene tijdens de kerkdienst, diep had beledigd en vernederd. De knecht eist hiervoor eerherstel.
Openbare dronkenschap en een specifiek, schandalig voorval dat daarbij had plaatsgevonden, tot grote ver verontwaardiging van zijn eigen protestantse gemeente én van de katholieken ("Roomsche gesinden").
Toen de afgevaardigden later bijeenkwamen in het verblijf van de Commissaris-Politiek, rapporteerde dominee Staringh dat schipper Post hem dan al te veel had verteld over het schandalige gedrag van dominee Dipelius. De protestantse gemeente in Antwerpen zuchtte onder zijn gedrag en werd voortdurend bespot en vernederd door de katholieken in de stad.
Artikel 2.
Vervolgens las afgevaardigde Kuilman een brief voor van Daniel Schnell, een militair in het garnizoen van het Kasteel van Antwerpen en lidmaat van de kerk aldaar. In zijn brief van 19 juli 1714 klaagt en beschuldigt hij dominee Dipelius van:
Chronische dronkenschap.
Het uitschelden en belasteren van grote delen van zijn eigen kerkelijke gemeente, waardoor er inmiddels bijna niemand meer naar zijn kerkdiensten durft te komen.
Een zeer hardvochtige behandeling van zijn eigen dochter (en ook van hem en zijn vrouw) door hun te weigeren deel te nemen aan het Heilig Avondmaal. De dominee gebruikte als smoes dat ze geen formele verhuisattestatie hadden ingeleverd, terwijl hij hun nota bene al vaker het Avondmaal had toegediend.
Het uiten van de meest afschuwelijke lasterpraat. Schnell hoorde de dominee in privékring zeggen dat zijn eigen genadige soeverein, de Keizerin-Koningin, een "paapse hoer" (een katholieke slet) was, en dat de huidige regerende Keizerlijke Majesteit een "sodomiet" (homoseksueel) was.
[Pagina 2]
Artikel 3.
Naar aanleiding van deze schokkende berichten is er, in overleg met de Commissaris-Politiek, besloten dat afgevaardigde Staringh direct een brief moest schrijven naar orgelmaker Duliken (wat op 6 juli is gebeurd). Duliken werd dringend verzocht om, als hij harde bewijzen en geldige getuigenverklaringen had tegen dominee Dipelius, zo snel mogelijk naar de Synode in Breda te komen om deze in te leveren. Ook moest hij laten weten wanneer hij dacht te komen, zodat de Synode dominee Dipelius op exact hetzelfde moment kon ontbieden voor een confrontratie.
Artikel 4.
Op die brief kwam op 8 juli antwoord uit Antwerpen van Johan Lodewijk Reusch, de knegt van Duliken. Hij meldde:
Dat zijn meester Duliken momenteel in Holland op reis was en dat hij de brief van dominee Staringh naar hem had doorgestuurd.
Dat híj (de knecht) degene was die door dominee Dipelius vanaf de kansel openlijk voor 'oneerlijk' was uitgemaakt, en dat hij nu een spectaculaire en publieke rectificatie eiste.
Dat dominee Dipelius ruim een week geleden hals over kop naar Duitsland was vertrokken, zónder dat hij een vervanger had geregeld om de kerkdiensten waar te nemen.
Dat de brenger van deze brief niemand minder was dan soldaat Daniel Schnell (de man uit artikel 2).
In overleg met de Commissaris-Politiek hebben de afgevaardigden op 9 juli soldaat Daniel Schnell (die op hen overkwam als een fatsoenlijke en betrouwbare man) op het matje geroepen. Schnell herhaalde niet alleen al zijn eerdere beschuldigingen, met name over de staatsgevaarlijke laster aan het adres van de Keizer en Keizerin, maar hij ondertekende ook direct een formele getuigenverklaring. Hij beloofde dat hij deze verklaring indien nodig op elk gewenst moment onder plechtige eed zou herhalen.
Artikel 6.
Vervolgens stuurde Egbert Harscamp op 14 juli een brief uit Antwerpen met de volgende bijlagen:
Een schriftelijke verklaring, ondertekend door de firma J.H. Kissing Zonen. Zij verklaarden dat dominee Dipelius drie jaar geleden een getuigenverklaring had getekend in een conflict tussen hen en een van hun klerken. Omdat die verklaring nu in een rechtszaak werd gebruikt, eiste de rechter dat de dominee deze verklaring onder ede moest komen bevestigen. De dominee weigerde dit hardnekkig. Toen hij merkte dat hij er via de rechter niet meer onderuit kon, vroeg hij of hij zijn destijds ondertekende papier nog één keer mocht inzien. Zodra zij hem het document in goed vertrouwen overhandigden, verscheurde de dominee het recht voor hun ogen in stukken! Dit gebeurde niet alleen in hun bijzijn, maar ook waar de heer Stijgman bij stond.
Een dringend smeekschrift aan de afgevaardigden van de Synode, ondertekend door verschillende wanhopige kerkleden uit Antwerpen. Zij smeekten de Synode om alstublieft in te grijpen en hen te steunen. Door het wanstaltige gedrag en de lasterlijke preken van dominee Dipelius konden zij al jarenlang niet meer fatsoenlijk naar de kerk of deelnemen aan het Heilig Avondmaal. Bovendien werden zij in de stad voortdurend uitgelachen en bespot door de katholieken, die dachten dat protestanten geen echte christenen waren. Ze hielden hun hart vast voor wat er zou gebeuren als de grove politieke beledigingen die Dipelius had geuit (over de Keizer en Keizerin) bekend zouden worden bij de katholieke autoriteiten in de stad.
Egbert Harscamp, voor zijn huishouden (6 personen).
J. Herman Kissing, voor zijn huishouden en zijn kleermaker (9 personen).
M. Riemens, voor zijn huishouden (8 personen).
Daniel Schnell, voor zijn huishouden (3 personen).
Er is een brief binnengekomen van orgelmaker I.L. Duliken, geschreven op 12 juli vanuit Rotterdam, als antwoord op de brief van afgevaardigde Staringh. Hij schrijft dat het voor hem erg lastig is om helemaal naar de Synode in Breda te reizen. Hij wil het eventueel wel doen, maar alleen als het niet voor niets is; dominee Dipelius is immers alweer naar Duitsland gevlucht. Volgens Duliken deed de dominee dat wel vaker: hij trok zich totaal niets aan van zijn parochianen, waardoor de gemeente in Antwerpen regelmatig 6 tot 7 weken achter elkaar zonder dominee of kerkdienst kwam te zitten.
Artikel 8.
Daarnaast is er een brief uit Antwerpen binnengekomen van 13 juli, geschreven door Egbert Harscamp. Hij meldt daarin dat hij destijds door zijn inmiddels overleden pruikenmaker, Gielbert, was aangesproken. Gielbert had hem gesmeekt om de dominee te waarschuwen dat hij nooit meer zo’n beestachtige actie moest uithalen. Wat was er gebeurd? De dominee was dronken uit de herberg van Gielbert gekomen en was midden op de openbare weg gaan staan wildplassen, pal voor het raam van een kamer waar op dat moment mannen en vrouwen zaten te eten. Gielbert had erbij gezegd dat als de dominee dat nóg een keer flikte, de aanwezige gasten zijn geslachtsdeel zouden afsnijden!
Omdat pruikenmaker Gielbert een paar maanden geleden is overleden, kon er van hem geen officiële getuigenverklaring meer worden verkregen. In plaats daarvan werd een verklaring bijgevoegd van Adriaan Gaillard en A. Harscamp. Zij verklaarden dat de diaken van de protestantse kerk, Martinus Bom, op 13 juli bij hen op bezoek was geweest. Zij hadden de diaken gevraagd of hij dominee Dipelius destijds had aangesproken op dit schandalige gedrag op de openbare weg voor de herberg.
[Pagina 5]
De diaken (Martinus Bom) bevestigde dat hij de dominee inderdaad gewaarschuwd had. De dominee had destijds laconiek geantwoord dat hij inderdaad al door twee boze katholieke buurtbewoners was aangesproken, namelijk door Verbert de ladderMaker (die op de Koeipoortbrug woont) en door ene Van Wijck, de blauwverver uit het Kladdorp.
Artikel 9.
In een besloten vergadering met de Commissaris-Politiek is besloten om — aangezien de Synode in Breda bijna ten einde loopt en men extreme voorzichtigheid in acht moet nemen om deze zaak geheim te houden (Breda ligt immers heel dicht bij Antwerpen) — de vuile was niet openbaar te maken. In de officiële en publieke synodeverslagen zal de zaak onder de algemene term "Brabantse Blijvberg" (de Antwerpse protestantse kerkgemeente) worden weggeschreven. Er zal enkel worden vermeld dat er wellicht in de toekomst nog zaken behandeld moeten worden, maar dat deze nu nog niet rijp zijn voor verdere toelichting. Afgevaardigde Staringh kreeg de opdracht om, zodra hij weer thuis was, in het geheim met Duliken in Rotterdam af te spreken om de zaak verder te bespreken.
Artikel 10.
Nadat deze vage mededeling aan de voltallige Synode was gedaan, heeft de Synode de zaak formeel overgedragen aan haar afgevaardigden, met de volledige vrijheid om achter de schermen naar eigen goeddunken ("pro re nata") te handelen.
Artikel 11.
Dominee Staringh heeft vervolgens bij hem thuis uitgebreid met de heer Duliken gesproken en hem gevraagd om extra bewijsmateriaal te verzamelen om de positie van dominee Dipelius definitief onhoudbaar te maken. Duliken beloofde dit te doen, maar dominee Staringh rapporteert dat hij tot op de dag van vandaag (13 september 1714) nog niets van hem heeft ontvangen.
Artikel 12.
De afgevaardigden hebben besloten om deze geheime notulen (deze Post-Acta) en alle bijbehorende belastende brieven, getuigenverklaringen en smeekschriften absoluut niet officieel te boeken of te archiveren. In plaats daarvan moeten alle documenten samen in één verzegelde envelop worden gestopt en worden verstopt in het geheime laadje van het kleine kastje van de afgevaardigden. Dit is in het geheim genoteerd bij de start van de Buitengewone Vergadering op 12 september 1714.
[Pagina 6 & 7]
Tussentijdse en vertrouwelijke notitie behorende bij de geheime documenten van de Zuid-Hollandse Synode te Breda, 1714.
Aanvulling op Artikel 12.
Dominee Staringh heeft op 12 september 1714 zijn concept van de geheime notulen voorgelegd aan raadsheer Hoog, om te controleren of deze met goedkeuring van de politieke autoriteiten zo mochten worden opgeborgen. Staringh vond dit zijn plicht, omdat er politiek zeer gevoelige zaken in stonden die in direct overleg met de overheid waren besloten.
De raadsheer toonde zich echter uiterst angstig ("scrupuleus") om de expliciete tekst van de politieke laster tegen de Keizer en Keizerin (uit artikel 2 en 5) überhaupt op papier te laten staan. Hij vertelde dat hij de zaak al met de Raadpensionaris (de machtigste politicus van Holland) had besproken. Het advies was dat dominee Staringh eerst persoonlijk met de Raadpensionaris moest gaan praten ("bouncheeren" / aftasten) voordat er verdere stappen werden gezet.
Tijdens dat overleg is het volgende plan bedacht: Om de kerkelijke afgevaardigden volledig buiten deze uiterst delicate en gevaarlijke politieke zaak te houden, kunnen ze gebruikmaken van het salaris van dominee Dipelius. De dominee moet binnenkort via de kerk een officieel verzoek (request) indienen bij de Gecommitteerde Raden van de overheid om zijn halfjaarlijkse salaris uitbetaald te krijgen. Het plan is dat de overheid dit salaris simpelweg zal blokkeren. Er zal op zijn aanvraag worden genoteerd dat hij pas geld krijgt, nadat hij een officiële verklaring van goed gedrag overlegt die is ondertekend door 4 tot 6 gerespecteerde protestantse kerkleden uit Antwerpen.
Op deze manier dwingt de overheid de dominee om met de billen bloot te gaan. Als zijn gedrag inderdaad zo beestachtig en misdadig is als beweerd wordt, zal hij die handtekeningen in Antwerpen nooit krijgen. Krijgt hij ze wel, dan is het een bewijs dat de klachten voortkomen uit pure kwaadaardigheid van een paar vijanden. Dit tactische plan werd goedgekeurd, en dominee Staringh zou dit voorstel gaan verdedigen bij de Raadpensionaris.
Op 13 september om 9 uur 's ochtends had dominee Staringh een ontmoeting met de Raadpensionaris. De Raadpensionaris reageerde positief op het plan, noemde het een slimme constructie en beloofde het in overweging te nemen om er later definitief over te beslissen.
Artikel 13.
Op 19 september hebben de kerkelijke afgevaardigden, met officiële toestemming van de Raadpensionaris, de salarisbijlage voor de predikant van Antwerpen ("den Blijvberg") ondertekend. Dominee Staringh heeft deze papieren direct doorgestuurd naar de heer Fagel, de thesaurier/kamerbewaarder van de Staten-Generaal, zodat deze bij de Gecommitteerde Raden ingediend kunnen worden.
Artikel 14.
Dominee Staringh rapporteerde vervolgens:
Dat hij de dag ervoor nóg meer belastende brieven uit Antwerpen had ontvangen (de samenvatting hiervan ligt op een los papier bij dit dossier).
Dat hij diezelfde ochtend (19 september) tijdens een crisisoverleg met de Raadpensionaris te horen had gekregen dat de politiek het slimme plan uit artikel 12 volledig heeft goedgekeurd. De overheid zal de salarisaanvraag van dominee Dipelius inderdaad met deze harde voorwaarde blokkeren.
De Raadpensionaris zal ervoor zorgen dat deze blokkade officieel wordt uitgegeven. Dominee Staringh vroeg daarna aan de Raadpensionaris of het niet de plicht van de kerk was om dominee Dipelius tenminste een overzicht te sturen van de zware beschuldigingen die tegen hem liggen. De Raadpensionaris antwoordde dat het absoluut beter was om dat nu nog niet te doen, om de uiterst gevoelige internationale politieke onderhandelingen van de Staat (met Oostenrijk/Duitsland over Antwerpen) op dit moment niet te verstoren met een kerkelijke ruzie. Wel wilde de Raadpensionaris een geheim overzicht van alle klachten voor zijn eigen dossier hebben. Dominee Staringh heeft de opdracht gekregen dit overzicht direct op te stellen en aan hem te overhandigen.
[Pagina 9 - Achterzijde / Omslag]
Notities van de afgevaardigden over alles wat er is voorgevallen in de zaak tegen dominee Dipelius, tot aan 19 september 1714.
Zie voor het overige de officiële handelingen van de afgevaardigden.
Foundation Musick's Monument