Overeenstemming met de krijgsraad
In 6 april 1772 geven de gedeputeerden van de Staten van Overijssel aan dat Dulcken met een bewijs moet komen dat het stukje grond in de achtertuin van hem is. Of hij moet onder ede verklaren dat hij dat bewijs niet heeft en ook niet is kwijtgeraakt. Grevensteijn brengt daartegen in dat ook de krijgsraad met bewijs zou kunnen komen dat het stukje grond hem toebehoort. Cornet Guldener, lid van de krijgsraad, is in 1755 door de heren Van Hecht benoemd als zaakgelastigde die de verkoop van de panden moet regelen. Hij heeft het pand aan de krijgsraad verkocht en is ook verantwoordelijk voor het pand dat Dulcken later heeft gekocht.
Op 7 juli is er weer contact tussen de advocaten van de krijgsraad en de advocaten van Dulcken. Grevensteijn stelt voor om verdere procedures via de Staten en de magistraat vanwege de kosten te stoppen en alleen als advocaten verder te praten.
Ieder stemt daarmee in en men komt tot de afspraak om de kosten te delen. Op 24 november verschijnt Dulcken op de vergadering van de krijgsraad. ‘Verzoekende dat het hangende dispuut tussen hem ter éénen en de edele Manhaftige Krijgsraad ter andere zijde mocht uijt de weg geruimt, presenterende boven de kosten van zijn kant tot goedmaking van de kosten van de zijde van de Krijgsraad te betalen een somma van honderd tweeëndertig gulden.’ De schutting mag blijven staan zoals de krijgsraad deze heeft neergezet. Op 18 december vraagt Dulcken om veertien dagen uitstel van betaling, maar de krijgsraad is het daar niet mee eens en wil betaling binnen 24 uur.
Op oudejaarsdag 1772 brengt Dulcken zijn 132 gulden bij de magistraat waarop de roededrager met dit geld naar kolonel Bode van de krijgsraad gaat en het hem wil overhandigen. Deze wil het geld niet aanpakken en de roedendrager neemt het weer mee naar Exalto D’Almeras, die het nog jarenlang in zijn bezit houdt. Voor de krijgsraad is het dan nog niet afgelopen. In november 1773 dient advocaat Waterham nog een rekening in van 240, — die de krijgsraad moet betalen. De krijgsraad zoekt daar borgen voor en begint in januari 1774 met het aflossen van deze schuld.
Kwaadaardige laster II
Ondertussen gaat het proces vanwege kwaadaardige laster tegen De Wilde door. Dulcken vraagt om een kopie van de ondervraging van Guldener door de commandant van het garnizoen, maar krijgt die niet. Telkens worden er nota’s heen en weer gestuurd, zonder dat men verder komt. In december 1772 komt advocaat Sandberg met een verweerschrift waarin hij aangeeft dat Dulcken beter kan stoppen met zijn actie omdat het toch niets oplevert. Hij waarschuwt voor de hoge proceskosten. Wel is bij zijn verhaal eindelijk een verslag van de ondervraging van Guldener gevoegd. Maar Guldener, lid van het garnizoen en van de krijgsraad, wordt uit de wind gehouden. De magistraat stelt vast dat er maar tegen één persoon een klacht is ingediend, nl. tegen De Wilde, en dat daar geen ander persoon ingeschoven kan worden.
Op 8 juni 1773 komt Sandberg met zijn laatste verweerschrift. Een lang verhaal met veel Latijnse wetsteksten. Hij komt tot de conclusie dat De Wilde misschien wel moreel verkeerd heeft gehandeld, maar dat hij juridisch niets verkeerd gedaan heeft. Wanneer je namelijk zegt dat iets waar is, tenzij degene waarvan je het hebt gehoord een leugenaar is, dan is deze uitspaak op zichzelf waar. De Wilde kan dus niet vervolgd worden voor wat hij heeft gezegd; de klacht is niet ontvankelijk. Sandberg concludeert dat Dulcken de proceskosten moet betalen en dat hij zelfs aangeklaagd kan worden, omdat hij De Wilde een leugenaar heeft genoemd.
Dulcken en zijn advocaat Grevensteijn gaan daartegen in beroep. In november 1773 eisen ze een kopie van alle stukken die op de zaak betrekking hebben en dat twee onafhankelijke advocaten op deze zaak gezet worden.
Daarna wordt het stil, of er ontbreken documenten. Pas in 1776 wordt er in documenten weer over de zaak gesproken, maar daarover later. Al die tijd zit Dulcken in de onzekerheid over wat er met zijn klacht zal gebeuren.

Gereformeerd / Hervormde Kerk te Hasselt
Kerkelijke attestatie
Dulcken en zijn vrouw gaan naar de Hervormde Kerk midden in de stad. Ze laten daar hun kinderen dopen en gaan er 's zondags ter kerke. Maar zij zijn door omstandigheden nooit lid geworden en mogen dus ook niet aan het heilig avondmaal deelnemen.
Op 28 maart 1771, dus nog voor de hele kwestie-De Wilde, vraagt Dulcken mondeling of hij lid van de gemeente mag worden. Hij brengt zijn attestatie mee die hij tien jaar geleden dus niet heeft ingeleverd. De vraag wordt op de kerkenraadsvergadering behandeld, die het verzoek in beraad houdt.
Op 27 september 1771 stuurt hij een brief naar de kerkenraad. Waarschijnlijk heeft hij bezoek van kerkenraadsleden gehad met de vraag om meer informatie. Hij legt uit dat hij in 1756 van Amsterdam naar Kleef wilde verhuizen en dat hij toen een attestatie heeft ontvangen van de kerkenraad van Amsterdam. Zijn plan ging door onvoorziene omstandigheden niet door. De reden is waarschijnlijk dat hij toen zijn vrouw Catharina Koning leert kennen en een jaar later met haar trouwt. Hij heeft in Amsterdam een bedrijf opgebouwd en bij de verhuizing naar Hasselt heeft hij verzuimd zijn attestatie in te leveren. In enkele gesprekken met predikant en ouderlingen heeft hij dat ook aangegeven. Nu wil hij graag lid worden ‘zoals ook D’ Heer Koning en anderen lid zijn geworden’. Wie hij bedoelt met meneer Koning is niet duidelijk.
De kerkenraad bespreekt de brief, maar kan het verzoek ook nu nog niet inwilligen. Men vindt de 15 jaar geleden afgegeven attestatie voor Kleef te oud. Een andere reden is ‘een blamerend gerucht nopens zijn eerwaarde door de magistraat ingebracht en met getuigenis gestaafd’. Dit slaat waarschijnlijk op de kwaadaardige laster die in die week door De Wilde is verspreid. Een van de kerkenraadsleden is tevens een van de vier burgemeesters en weet uit de eerste hand wat er speelt. Men wil eerst meer informatie van de magistraat voor men een beslissing neemt. Dulcken vraagt daarop zijn oude attestatie terug.
Op 20 december 1771 vermelden de notulen van de kerkenraad dat het verzoek van Dulcken om lid te mogen worden niet wordt behandeld, tenzij Dulcken met een nieuw verzoek komt. En dat ligt er nog niet. De notulen van 17 april 1772 bevatten dezelfde zinsnede. Het verzoek van Dulcken is nog niet binnen, dus de kerkenraad doet niets
Pas op 2 oktober 1772 ligt er een nieuw verzoek van Dulcken: ‘een nederige bede’, zoals hij het zelf noemt. Hij schrijft daarin dat hij beseft dat zijn attestatie te oud was. Daarom doet hij opnieuw het verzoek, maar hij weet helaas niet waarom de kerkenraad zijn vorige verzoek niet heeft ingewilligd. Hij belooft zich aan de kerkenraad te onderwerpen als er een schikking getroffen kan worden.
De kerkenraad gaat erin mee. Ze besluiten dat Dulcken op de volgende kerkenraadvergadering mag komen om enige vragen te beantwoorden. Voorwaarde is wel dat er ondertussen geen slechte berichten over hem binnenkomen. De kerkenraadsleden wordt verzocht om de komende tijd op Dulckens handel en wandel acht te geven.
Op de volgende kerkenraadsvergadering van 11 november 1772 is er onduidelijkheid over de te volgen weg. Het enige agendapunt is: hoe om te gaan met het verzoek van Dulcken. Men beslist om het besluit van 2 oktober 1772 in een resolutie vast te leggen.
Op 21 december 1772 is er weer een kerkeraadsvergadering. Dulcken wordt door de koster uitgenodigd om bij een gedeelte daarvan aanwezig te zijn. Maar voordat Dulcken binnengeroepen wordt ontstaat er grote onenigheid in de kerkenraad. Vijf leden willen dat bij behandeling van de zaak-Dulcken moet worden uitgegaan van het kerkenraadsbesluit van 27 september 1771 d.w.z. de kerkenraad moet eerst van de magistraat te weten komen wat voor een persoon Dulcken is.
Vier leden (plus een afwezig lid) willen uitgaan van het besluit van 2 oktober 1772 d.w.z. Dulcken wordt uitgenodigd voor gesprek en als er geen vreemde dingen tussendoor gebeurd zijn, wordt hij als lid aangenomen. Conclusie: er is niets naar voren gebracht waaruit blijkt dat er vreemde dingen zijn gebeurd. Dus we kunnen hem uitnodigen.
De dominee en de preses vragen om een kopie van het besluit (1771) dat eerst op een mededeling van de magistraat moet worden gewacht. De zaak zit muurvast. Tenslotte wordt Dulcken binnengelaten en krijgt te horen dat het besluit van 27 september 1771 blijft staan. De magistraat moet eerst duidelijkheid geven. Hij protesteert ertegen en zegt dat zijn protest moet worden opgeschreven. De preses vraagt of hij verder nog iets naar voren wil brengen. Het antwoord is kortweg ‘nee’.
Hij verlaat de vergadering, maar hij bezint zich, vraagt via de koster of hij weer mag binnenkomen. Hij vraagt om een kopie van het besluit. De koster neemt hem weer mee naar buiten de vergaderruimte. ‘Ik zal se hebben Heeren’, horen de kerkenraadsleden hem nog een aantal keren roepen, waarop ze besluiten dat hij daar inderdaad recht op heeft, en geven de koster opdracht om hem een kopie te bezorgen. Dat is zijn laatste gesprek met de kerkenraad. Uit de ledenlijst blijkt dat Dulcken nooit lid van de gemeente is geworden. Een twee jaar lange strijd voor niets gevoerd, dankzij de invloed van de magistraat op het kerkbestuur.

Gezicht op Hasselt vanaf de andere kant van het Zwarte Water.
In augustus 1772 wordt het negende kind in het gezin Dulcken geboren. Catharina wordt op 19 augustus in de Gereformeerde Kerk gedoopt.


Foundation Musick's Monument