

Gezicht op het Mauritshuis
Jan de Bisschop, 1648 - 1671
Gezicht op het Mauritshuis vanuit de tuin van Constantijn Huyghens de Jonge. RIJKSMUSEUM
Rudolf Rasch: Duizend brieven over muziek van, aan en rond Constantijn Huygens
- Huygens aan Johan Maurits van Nassau – 2 oktober 1679 – 7137 -
Huygens aan Johan Maurits van Nassau – 2 oktober 1679 – 7137 -
[CONSTANTIJN HUYGENS (DEN HAAG)]
AAN JOHAN MAURITS VAN NASSAU SIEGEN [KLEEF]
2 OKTOBER 1679
7137
Naar aanleiding van een verzoek van Hacquart?
Samenvatting: Constantijn Huygens verzoekt Johan Maurits namens Hacquart of laatstgenoemde diens zaal met het orgel daarin mag gebruiken om er concerten te geven. Huygens somt vervolgens de resultaten van zijn eigen werkzaamheden op het gebied van de muziek en de poëzie op.
Over een antwoord van Johan Maurits is niets bekend. Hij sterf enkele maanden na het schrijven van deze brief, op 20 december 1679.
Primaire bron: Den Haag, Kon. Bibl., Hs. KA XLIX, dl. 3, pp. 941-943: afschrift (Constantijn Huygens jr.).
Vertaling
Aan mijnheer de prins [Johan] Maurits [van Nassau Siegen].
Den Haag, 2 oktober 1679.
Mijnheer,
Temidden van de grote verscheidenheid aan berichten over de toestand van uw gezondheid die ons sinds enige tijd hebben bereikt, sluit ik mij volgaarne aan bij het laatste, dat ons doet hopen dat het echt waar is dat u andermaal gelukkigerwijze een aanval te boven gekomen bent die ons deed vrezen dat er geen volgende meer zou komen. Ik loof God daarvoor met heel mijn hart en bid Hem, mijnheer, uw jaren sterk te vermeerderen over het aantal der mijne heen, maar wel met dezelfde kracht die mij nog eigen is, ik, die afgelopen september aan mijn 83ste jaar begonnen ben (2), en, zoals men mij zegt, nog in dezelfde conditie ben als die waarin u mij meer dan twintig jaar geleden zag.
Het spijt mij zeer deze toestand niet te hebben kunnen aanwenden voor zo’n klein reisje als van hier naar Kleef, ik die kortelings nog aan mijn meester durfde zeggen dat, indien deze nog behoefte had aan mijn diensten tot bij de Middellandse Zee, dat wil zeggen, tot in Orange, ik vrolijk en met goede moed op weg zou gaan. Maar vooruit, dat armzalige reisje naar Kleef, waar ik zo graag al hetgeen u er aan fraais hebt laten bouwen, had willen bewonderen, ik weet niet hoe ik er ooit had kunnen komen, gebonden als ik hier ben aan mijn roeping, en zoals men zegt, └vastgebonden met een strootje.┘ U zult zich kunnen voorstellen, dat ik bij gelegenheid van de langdurige onderhandelingen in Nijmegen een mogelijkheid zou hebben gevonden dit uitstapje te maken. Maar integendeel, toen ik Nijmegen op mijn weg vond en ik er niet graag wilde verschijnen zonder daar iets voor mijn werk te doen te hebben, heb ik het om verschillende redenen ontweken terwijl ik vlakbij was, en daarom, mijnheer, heb ik Berg-en-Dal niet gezien. Maar ik wanhoop niet het eens te zien, wanneer God het ons vergunt dat ik eens nog de eer zal mogen hebben u er te ontmoeten, want ik moet bekennen dat bij minder dan dat de voldoening die mij er ten deel zou vallen, zou worden gedempt door veel bitterheid. Men heeft hier de mond vol over het fraaie Braziliaanse geschenk dat u de (3) koning van Frankrijk zojuist hebt doen toekomen, en de mooie schriftelijke dankbetuigingen die u ervoor hebt ontvangen. Ik zou daar graag eens een afschrift van zien. Maar wanneer dit alles niet wordt gevolgd door een substantiëler blijk van erkentelijkheid en een prijs die tweemaal het dubbele is van de huidige, dan zal de Allerchristelijkste (4) majesteit een deel van zijn goede gunsten bij mij verliezen; maar ik denk dat ik dat niet zal hoeven te vrezen. Nu ik mij aldus in uw aangelegenheden heb gemengd, zou ik [haast] de belofte vergeten welke ik werd gedwongen te doen aan de heer [Carolus] Hacquart, die die grote musicus is, van wie u zich zult herinneren ooit eens een fraai concert gehoord te hebben in uw zaal. Het is enkele maanden geleden dat hij uit Amsterdam vertrok om [zich met] zijn familie in Den Haag te vestigen, waar het, in de wens de welgestelde amateurs te kunnen onderhouden met zijn composities, die voortreffelijk zijn, en in het besef dat hij daarvoor te nauw was behuisd, nu de vraag is of u erin wilt toestemmen dat hij deze oefening één keer per week in uw genoemde zaal kan houden, waar naar ik meen het orgel zich nog bevindt, dat echter door ongebruik moet verkommeren. Hij zou het op zich kunnen nemen het weer in goede staat te brengen, en ondertussen zou uw gunst slechts van tijdelijk karakter zijn en te allen tijde herroepbaar. Ten aanzien hiervan heb ik mij verplicht me op de hoogte te stellen van uw mening, die ik u verzoek mij kenbaar te maken. U kunt hieruit opmaken dat klaarblijkelijk mijn toewijding aan de muziek mij niet voor mijn laatste ademtocht zal verlaten, en ik verheimelijk deze niet. Integendeel, voor mijzelf verwacht ik er iets goeds van, in de vaste overtuiging die ik heb, dat de muziek niet weinig bijdraagt tot het behoud van een langdurige gezondheid. U hoort een man spreken, mijnheer, die, tot zijn eigen verbazing, merkt meer dan achthonderd muziekstukken te hebben geschreven voor verschillende instrumenten, en daarnaast nog eens een veertigtal boeken met poëzie in verschillende talen, alle gedrukt en u moet eens nadenken of u dit ooit gezien hebt bij een baan met zoveel drukte dat er geen reden is dat op te zoeken. Dit is allemaal veel te vertrouwelijk en veel te lang. Maar aangezien mijn vrijpostigheden een geringe frequentie kennen, hoop ik dat u ze wilt verdragen met des te meer geduld en dat u niet zult nalaten mij de gunst te blijven geven mij voor altijd te zien als, enz.
De heer [Léonard?] (5). Itier heeft mij zojuist de bovengenoemde (6)afschriften ter hand gesteld, die fraai en goed zijn, maar, enzovoorts.
- Naam geadresseerde autograaf.
3. Lodewijk XIV.
4. Lodewijk XIV.
5. Misschien gaat het hier om de Parijse musicus Léonard Itier die Christiaan Huygens in de brief aan zijn vader van 27
december 1680 (7165) noemt.
6. Van Maurits’ correspondentie met Lodewijk XIV, die eerder in de brief wordt genoemd?
Transcriptie
Copie.
(1) Monsieur le Prince Maurice.
À La Haye, ce 2e Octobre 1679.
Monseigneur,
Dans la grande varieté des nouvelles que depuis quelque temps nous sont venue de l’estat de vostre santé, je
m’attache volontiers à la dernière, qui nous faict espérer que c’est tout de bon que Vostre Altesse a surmonté
encor heureusement une atteinte, qui nous avoit fait craindre qu’il n’en resteroit plus à venir. J’en loue Dieu
de tout mon cœur et le prie, Monseigneur, de multiplier vos années fort au delà des mienes, mais dans la mesme
vigueur où je me trouve, entré depuis Septembre dernier, dans la 83e de mon aage et, à ce qu’on me dit, tout
tel que Vostre Altesse m’a veu il y en a plus de vingt.
Je regrette beaucoup de n’avoir pu employer ceste disposition à un si petit voyage, que celuy d’icy à Clève,
moy qui encor depuis peu ay osé dire à mon maistre que, s’il avoit encor besoin de mon service jusqu’à la Mer
Méditerranée, c’est-à-dire vers Orange, je m’y achemineroy gayement et de grand cœur. Mais enfin, ce pauvre
voyage de Clève, où j’eusse tant souhaitté d’admirer tout ce que Vostre Altesse y a construit de si ravissant, je
ne sçay comment je n’y ay jamais pu arriver, attaché icy à ma vocation et, comme nous disons, aen een stroo
gebonden. Vostre Altesse vouldra s’imaginer qu’à l’occasion de la longue Assemblée à Nimmeghe je pourrois
avoir trouvé sujet de faire ceste escappade. Mais tout au contraire, trouvant Nimmeghe dans mon chemin, et
n’aymant pas à y paroistre sans matière d’employ, je l’ay esquivé tout en près, pour plusieurs considérations,
et en somme donc, Monseigneur, je n’ay pas veu Bergendal. Mais │942│ je ne désespère pas de la veoir, si
Dieu nous faict la grace que je puisse encor avoir l’honneur de vous y rencontrer, car à moins que de cela,
j’avoue que la satisfaction que j’y trouverois, seroit détrempée de beaucoup d’amertume.
- Naam geadresseerde autograaf.
et des beaux remercimens en papier, qui luy en sont revenues. J’auroy grand’ envie d’en veoir quelque copie,
mais si tout cela n’est suyvi de quelque reconnoissance plus solide et d’un prix deux fois doublé de celuy du
présent, la Majesté Très-Chrestienne en perdra une partie de mes bonnes graces; mais je ne croy pas le devoir
appréhender.
En m’ingérant ainsy dans vos affaires, Monseigneur, j’allois oublier la promesse que j’ay esté pressé de
faire au Sieur Hacquart, qui est ce grand maistre de musique, duquel Vostre Altesse se souviendra d’avoir un
jour entendu le beau concert dans sa sale. Il y a quelques mois qu’il est venu hors d’Amsterdam planter sa
famille à la Haye, où, souhaittant de pouvoir entretenir les amateurs du beau monde de ses compositions, qui
sont excellentes, et se trouvant pour cela trop logé à l’estroit, la question est, si Vostre Altesse pourroit aggréer
qu’un jour de la sepmaine il pust faire cest exercice dans sadite sale, où je pense que sont encor les orgues,
mais qui par faute d’usage doibvent dépérir. Il se chargeroit de les remettre en estat, et cependant la faveur de
Vostre Altesse ne seroit que provisionelle et révocable à tous momens.
C’est de quoy je me suis obligé de sçavoir le sentiment de Vostre Altesse │943│ que je la supplie de me
faire connoistre. Elle peut remarquer en cecy, comme apparemment mon affection pour la musique ne me
quittera qu’avec le dernier soupir, et je ne le dissimule point. Au contraire, je m’en veux quelque bien, dans la
ferme croyance que j’ay, que l’harmonie ne sert pas de peu à l’entretien d’une longue santé. Vous entendez
parler un homme, Monseigneur, qui, à son propre estonnement, se trouve avoir composé plus de 800 pièces de
musique, sur divers instrumens, outre une quarantaine de livres de poësie en plusieurs langues, tous imprimez,
et Vostre Altesse se peut souvenir, si elle ne l’a veu dans un employ d’assez d’occupation pour n’avoir affaire
d’en cercher.
Cecy est trop familier et trop long. Mais, comme mes importunitez ne sont que peu fréquentes, j’espère que
vous les supporterez avec plus de patience, et n’en laissez pas de me continuer la grace de me croire à tousjours
etc.
Voyci que Monsieur Itier vient de me communiquer les copies susdites, qui sont belles et bonnes mais, etc.

Carel of Carolus Hacquart werd samen met zijn broer Philippus opgeleid als koorknaap in de Sint Baafs kathedraal te Gent. Rond 1670 vertrokken zij uit het graafschap Vlaanderen naar Amsterdam, waar zij zich vestigden als vrij kunstenaar. Carel verruilde zijn werkterrein in 1679 voor Den Haag, waar hij les gaf en concerten organiseerde met steun van de bejaarde Constantijn Huygens, uit wiens briefwisseling valt op te maken dat hij Hacquart bij stadhouder Prins Johan Maurits heeft aanbevolen.
Voor zijn dagelijks levensonderhoud gaf hij les aan veel gegoede patriciërs als burgemeesters, advocaten en andere notabelen die in hun vrije tijd muziek maakten. In 1686 droeg Hacquart aan twee van deze leerlingen, de advocaten Pittenius en Kuysten, twaalf suites op. Deze konden worden uitgevoerd op één gamba, op twee gamba’s of door een gamba met continuobegeleiding. (Wikipedia)
Foundation Musick's Monument