Multimedia Art Productions

Scherm­afbeelding 2025-07-04 om 08.40.15

🇬🇧 English Translation
🇩🇪 Deutsche Übersetzung

IMG_7245

Copije Attestatie
Wij ondergeschreven attesteren hiermede, dat wij in de maand october des gepasseerde jaars 1773 bij den Predicant Diepelius zijnde, ons op een diepzinnige wijze heeft uigevraagt, of wij geen geld van onsen meester J.L. Dülcken te goed hadden, en wat reden hij hadde om met er woon te Antwerpen te komen etc. Waarop wij geantwoord hebben, dat wij nog geld te goed hadden, maar dat wij niet wisten om wat reden hij van woon wilde veranderen ten zij om zijn voordeel. Hierop heeft ons Dom
s Diepelius seer ernstig gewaarschuwt, dat wij wel op ons hoede moesten zijn, en maken ons geld te krijgen, want dat onsen meester niets deugde, dat hij hem als een jongen gekent had, dat hij altoos een quaade en ondeugdende jongen was geweest, dat hij in Vrankrijk zoodanig gemaakt hadde, dat hij deswegen zoude zijn opgehangen geworden indien hij zig niet door het doen van een valschen hadde gesauveert etc. Wij hebben hem betuijgt gelijk wij betuijgen hiermede, dat nog onse cameraat (die bij hem bij de 10 jaaren gewerkt heeft) nog wij nooijd iedts diergelijks gehoort hebben, maar onsen meester altoos gekent hebben voor een eerlijk man en dat wij gans niet bang waaren voor ons betalingen voor het overig is’t ons zulke lastingen seer vreemd van een geestelijke voorgekomen. In teken der waarheid hebben wij dit met ons eijgen hand ondertekent en zijn bereijd  desnoodts dit alles altoos onder eeden te bevestingen. Actum Antwerpen den 15 7ber (september) 1774

Was getekent   
J. Ludwig Reusch
             
Johan Jacob Schnell

Modern Nederlands
Kopie van de Verklaring
Wij ondergetekenden verklaren hiermee dat in de maand oktober van het afgelopen jaar 1773, de weleerwaarde heer Diepelius bij ons is geweest. Hij heeft ons op een indringende manier uitgevraagd of wij nog geld tegoed hadden van onze meester J. L. Dulcken, en wat de reden was dat hij ging verhuizen en vertrekken, enzovoort.
Hierop hebben wij geantwoord dat wij inderdaad nog geld tegoed hadden, maar dat wij niet wisten waarom hij van woonplaats wilde veranderen, tenzij het in zijn eigen voordeel was. Hierop heeft heer Diepelius ons zeer ernstig gewaarschuwd dat we goed op onze hoede moesten zijn en moesten zorgen dat we ons geld kregen. Want, zo zei hij, onze meester deugde niet; hij kende hem al vanaf dat hij een jonge man was en hij was altijd al een slechte en deugnietachtige jongen geweest. Ook beweerde hij dat Dulcken in Frankrijk zulke dingen had uitgehaald dat hij daarvoor opgehangen had moeten worden, als hij zichzelf niet gered had door bedrog te plegen.
Wij hebben hem toen verzekerd, en dat verklaren wij hierbij nogmaals, dat noch onze collega (die al bijna 10 jaar voor hem werkt), noch wijzelf ooit zoiets dergelijks hebben gehoord. Wij hebben onze meester altijd gekend als een eerlijk man en we waren er totaal niet bang voor dat we niet betaald zouden krijgen. Overigens vonden wij het erg vreemd dat zulke lasterpraat uit de mond van een geestelijke kwam.
Als bewijs van de waarheid hebben wij dit met onze eigen hand ondertekend, en wij zijn bereid dit alles, indien nodig, te allen tijde onder ede te bevestigen.
Gedaan te Antwerpen, 15 september 1774.
Was getekend:
J. Ludwig Reush Johan jacob Schnell


🇬🇧 English Translation

Copy of the Attestation
We, the undersigned, hereby certify that in the month of October of the past year 1773, the Reverend Mr. Diepelius visited us and questioned us in a profound/insinuating manner as to whether we were owed money by our master, J. L. Dulcken, and what reason he had for moving and leaving, etc.
To this, we replied that we were indeed still owed money, but that we did not know for what reason he wished to change his residence, unless it was for his own benefit. Thereupon, Mr. Diepelius very earnestly warned us that we should be well on our guard and make sure to get our money, because our master was no good. He claimed he had known him as a young man and that he had always been a bad and wicked boy. He also alleged that Dulcken had misbehaved in such a way in France that he would have been hanged for it, had he not saved himself by committing a fraud.
We assured him then, as we hereby certify now, that neither our colleague (who has worked for him for nearly 10 years) nor we ourselves have ever heard anything of the sort. Instead, we have always known our master to be an honest man, and we were not at all worried about receiving our payment. Furthermore, we found it highly strange for such slander to come from a clergyman.
In witness of the truth, we have signed this with our own hands, and we are prepared, if necessary, to confirm all of this under oath at any time.
Done in Antwerp, 15 September 1774.
Signed:
J. Ludwig Reush Johan jacob Schnell



🇩🇪 Deutsche Übersetzung

Kopie der Bescheinigung (Attestation)
Wir, die Unterzeichnenden, bezeugen hiermit, dass im Monat Oktober des vergangenen Jahres 1773 der hochehrwürdige Herr Diepelius bei uns war und uns auf eindringliche Weise ausfragte, ob wir noch Geld von unserem Meister J. L. Dulcken zu gut hätten und aus welchem Grund dieser umziehe und wegreise etc.
Darauf haben wir geantwortet, dass wir zwar noch Geld zu gut hätten, aber nicht wüssten, aus welchem Grund er seinen Wohnort wechseln wolle, es sei denn zu seinem eigenen Vorteil. Daraufhin hat uns Herr Diepelius sehr ernsthaft gewarnt, dass wir gut auf der Hut sein und zusehen sollten, unser Geld zu bekommen. Denn, so sagte er, unser Meister tauge nichts; er habe ihn schon als jungen Mann gekannt, und er sei schon immer ein schlechter und boshafter Junge gewesen. Zudem behauptete er, Dulcken habe in Frankreich solche Dinge getan, dass er deswegen aufgehängt worden wäre, wenn er sich nicht durch einen Betrug gerettet hätte.
Wir haben ihm damals versichert, wie wir auch hiermit bezeugen, dass weder unser Kollege (der bereits seit fast 10 Jahren für ihn arbeitet) noch wir selbst jemals etwas Ähnliches gehört haben. Vielmehr haben wir unseren Meister stets als einen ehrlichen Mann gekannt und hatten keinerlei Angst um unsere Bezahlung. Im Übrigen kam uns eine solche Verleumdung aus dem Munde eines Geistlichen sehr seltsam vor.
Als Zeichen der Wahrheit haben wir dies mit unserer eigenen Hand unterzeichnet und sind bereit, dies alles nötigenfalls jederzeit unter Eid zu bestätigen.
Gegeben zu Antwerpen, am 15. September 1774.
Gezogen (Unterschrieben):
J. Ludwig Reush Johan jacob Schnell