Louis Dulcken (Johannes Lodewijk) wil burgemeester van Hasselt (Overijssel) worden
Ondertussen is Louis met iets heel anders bezig. Hoewel hij problemen heeft met sommige inwoners en met de magistraat, staat hij bij veel anderen goed bekend. In aanloop naar de verkiezing van een nieuwe magistraat op St-Pauli, 25 januari 1772 ontstaat bij Louis het plan om burgemeester van Hasselt te worden.
Elk jaar werden dezelfde personen in de magistraat verkozen. En bij overlijden is er altijd wel een familielid te vinden die de lege plek inneemt. De leden van de magistraat proberen krampachtig hun positie veilig te stellen. De regeermacht moet binnen een beperkt aantal families blijven. Deze functies leveren geldelijk niet zoveel geld op, maar ze geven wel aanzien. De inwoners van Hasselt zijn het regelmatig niet eens met het feit dat steeds dezelfde personen verkozen worden en dat leidt rond St.Pauli tot onrust. Maar veel invloed heeft men niet. Ook Louis kan niet zomaar tot burgemeester worden verkozen. De kerkenraad heeft zijn verzoek om lid van de Gereformeerde kerk te mogen worden afgewezen en de magistraat wil hem niet als burger accepteren. En beiden zijn nodig om burgemeester te kunnen worden. Er is een andere mogelijkheid. Prins Willem V moet als hoge overheid de verkiezing van de leden van de magistraat goedkeuren. Een enkele keer grijpt hij in en benoemt een andere persoon dan de magistraat wenst.
In het najaar van 1771 stelt Louis een request op voor prins Willem V en hij laat deze ondertekenen door leden van de invloedrijke schippersgilde en andere vooraanstaande inwoners. In het request wordt gewezen op Dulckens prestaties en goede gedrag en dat hij het verdient om burgemeester te worden. Deze actie blijft niet onopgemerkt.
Het gerucht dat Louis Dulcken, meester klavecimbelbouwer, een actie voorbereidt om burgemeester van Hasselt te worden, bereikt ook de burgemeester Peter Heisman en deze laat met spoed op 7 januari 1772 de magistraat bij elkaar komen. Ze discussiëren over wat hen te doen staat. Ze vrezen dat hun macht door deze actie wordt aangetast. Ze beseffen dat Dulcken niet verkozen kan worden want ze hebben zijn aanvraag voor het burgerschap afgewezen, maar als hij zich tot Prins Willem V wendt, weet je nooit wat er gebeurt.

Voordat ze tot actie overgaan, willen ze eerst een advies van advocaat Sandberg in Zwolle. Burgemeesters Heisman en De Vries worden afgevaardigd en reizen snel op en neer naar Zwolle. Heisman is in de voorbije jaren al enkele keren bij Sandberg geweest om zaken die met Dulcken te maken hebben aan de advocaat voor te leggen. Het lijkt erop dat hij ‘de zaak Dulcken’ in zijn portefeuille heeft. Het advies van Sandberg is eenvoudig: nodig Dulcken uit op het stadhuis, ondervraag hem en eis van hem dat hij het request met de verzamelde handtekeningen overhandigt.
De magistraat overlegt nog dezelfde middag en allen stemmen in met het advies. De roedendrager (stadsbode) wordt opgedragen naar het huis van Dulcken in de Nieuwstraat te gaan om hem op te halen. Even later verschijnt Dulcken in het stadhuis en daar, staande onder het schilderij 'Het Oordeel van Graaf Willem de Goede' van Nicolaes van Galen, wordt van Dulcken geëist dat hij het request aan de burgemeester overhandigt.

De Rechtspleging van Willem de Goede (190 x 213 cm) Gesigneerd door N v Galen en gedateerd 1657 vanaf 1657 tot heden OUDE RAADHUIS HASSELT
VIDEO
Van den Hove- Griensliefs
IN DETENTIE TE HOUDEN ONDER DE TRAP
Dulcken weigert. Hij zegt dat het een persoonlijk document is en dat de edelachtbaren het hem niet kwalijk moeten nemen dat hij zich over de inhoud niet kan uitlaten. Dulcken mag het vertrek verlaten en de magistraat gaat in beraad. Besloten wordt een dwangsom van twee zilveren ducatons te eisen wanneer Dulcken niet wil meewerken. Wanneer Dulcken weer is binnengeroepen, blijft hij bij zijn weigering. Het document is verbrand en hij kan het dus niet geven. De twee ducatons kunnen ze gaan halen. Dulcken verdwijnt weer achter de deur en de magistraat overlegt en besluit vier zilveren ducatons te eisen. Dulcken wordt weer binnengeroepen en men eist nogmaals het document op. Dulcken antwoordt dat hoewel hij van oordeel is dat men hem niet kan verplichten het document te geven, hij ook niet in staat is het af te geven, ‘dog hetselve niet meer magtig te zijn’. En wanneer de heren zijn rok willen hebben ze ook zijn camisool ( jas) erbij kunnen krijgen. “Ook al zouden de heren vierhonderd gulden eisen”. De magistraat gaat weer in beraad en besluit Dulcken gevangen te zetten in het stadhuis in de kelder onder de trap. Wanneer dat aan Dulcken wordt meegedeeld doet hij nog een uiterste poging dit te voorkomen. Hij wil het request wel woordelijk citeren zodat de magistraat het kan opschrijven. Tevergeefs. De burgemeesters gaan daar niet op in.
Het is de magistraat er alles aan gelegen om de namen van de handtekenaars te bemachtigen. Ze willen weten wie de ondertekenaars zijn. De schippers en andere vooraanstaande inwoners kunnen dan onder druk worden gezet om hun steun van Dulcken op te geven.
Op 11 januari reist secretaris Exalto D’Almaras naar Zwolle om met Sandberg over de detentie van Dulcken te overleggen. Waarschijnlijk adviseert Sandberg hem om Dulcken vrij te laten omdat de magistraat juridisch niet sterk staat. Hoelang hij gevangen gezeten heeft is niet precies vast te stellen. Waarschijnlijk was hij ruim voor St.Pauli, 25 januari, weer vrij. Wanneer de magistraat Dulcken vrijlaat, krijgt hij een rekening mee met ‘de kosten van detentie waarvan hij niet eens een specificatie mag genieten’.
Daarmee is het verhaal nog niet afgelopen. Dulcken brengt of stuurt zijn request naar Prins Willem V in de hoop dat deze de magistraatverkiezing van 25 januari niet zal goedkeuren. Hij stuurt de ondersteunende handtekeningen niet mee maar meldt aan de Prins dat deze verbrand zijn. Helaas wordt zijn request op 8 februari afgewezen en de magistraat van Hasselt krijgt daar op 13 februari bericht van.

De vermelding dat het request van Louis Dulken door Prins Willem V is afgewezen.
Na beraadslaging sturen ze de afwijzing door naar advocaten Hubert en Fabius in Zwolle. Ze voegen daar nog andere documenten aan toe. Ze vragen de advocaten wat ze nu verder met Dulcken moeten beginnen. Nadat ze alles hebben gelezen, geven ze het advies om Dulcken nog een keer op te pakken en hem te dwingen de waarheid te zeggen. Dulcken moet maar aangeven, “waar, wanneer, en in wiens presentie en waarom dat verbranden heeft in het werk gesteld”. En hij moet met een eed bevestiging dat hij de waarheid spreekt.
Waarschijnlijk is het niet zo ver gekomen. De magistraat heeft de ervaring dat dit vergeefse moeite zou zijn. Maar ook praktisch is het waarschijnlijk onmogelijk omdat Dulcken veel buiten de stad is om overal zijn klavecimbels te verkopen.
Grevensteijn schrijft later aan de Staten: ’want hij wierde sodanig van tijd tot tijd door de Magistraten van Hasselt behandeld, dat hij niet in staat was zijn brood voor zijn vrouw en kinderen te winnen, dewijl men zonder wettige redenen hem maar bij de kop vatte, in een criminele gevangenis liet zetten, en daar verscheidene weken agter een, even als of hij aan een groote misdaad schuldig was, laten verblijven’. Grevensteijn ziet geen enkele juridische reden voor deze maatregel; integendeel het is pure rancune van de magistraat. Een jaar later vestigt Dulcken zich in Antwerpen en neemt twee van zijn knechten mee, de klavecimbelbouwers Reusch en Schnell. Ze zijn onder de indruk van Louis’ actie. Eén van de twee vertelt zelfs in Antwerpen dat Dulcken burgemeester van Hasselt had willen worden.
Terug naar Antwerpen
Op 18 augustus 1772 vraag hij bij de Magistraat een verklaring van goed gedrag aan, waarna hij zich in het najaar van 1772 in Antwerpen vestigt . Zijn oudste zoon Johannes Lodewijk (Louis jr.) gaat met hem mee. Zijn vrouw, moeder en andere kinderen blijven in Hasselt. De werkplaats in Hasselt ligt stil en zijn drie knechten Johan Gerlach Lauch (al 10 jaar in dienst), Johann Lodewijk Reusch (al 6 jaar in dienst) en Johann Jacob Schnell (al zes jaar in opleiding) leggen op 16 april beslag op enkele klavecimbels vanwege achterstallig loon. Ondanks dit achterstallig loon gaan Reusch en Schnell mee naar Antwerpen en blijven daar voor hun meester werken. Op 10 september 1773 prijst hij zich in de Gazette aan als: “Jean Louis Dulcken, (oudste zoon van den overledene Daniël Dulcken), meester orgel- en klavecimbelmaker, tegenwoordig te Antwerpen, met intentie om aldaer mettertijd daar te komen woonen,” .
Dulcken heeft in Hasselt geëxperimenteerd met de bouw van de pianoforte en legt zich vanaf 1774 in Antwerpen daarop toe. In de Gazette van 6 juli 1775 vermeldt hij: ”dat by alhier heeft doen brengen twee Clavecin-Bellen, te weten een Steirt-Stuk en een Forte piano van zyn werk, zynde eene nieuwe Uytvindinge, dewyl men ongemerkt en zonder in commoditeyt den thoon van de zelve kan diminueëren en casseeren,” Daarmee is hij een van de mede-uitvinders van de pianoforte en zet hij een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling naar de piano.
HET CONFLICT JOHANNES DANIEL DULCKEN & LOUIS DULCKEN - Ds DIEPELIUS
•••••niets te boek te brengen, maar alle deeze stukken bij malkanderen in een enveloppe te bewaaren in het laadje van het kleine kastje van Deputaaten. •••••
Wij hebben hem betuijgt gelijk wij betuijgen hiermede, dat nog onse cameraat (die bij hem bij de 10 jaaren gewerkt heeft) nog wij nooijd iedts diergelijks gehoort hebben, maar onsen meester altoos gekent hebben voor een eerlijk man en dat wij gans niet bang waaren voor ons betalingen voor het overig is’t ons zulke lastingen seer vreemd van een geestelijke voorgekomen.

Copije Attestatie
Wij ondergeschreven attesteren hiermede, dat wij in de maand october des gepasseerde jaars 1773 bij den Predicant Diepelius zijnde, ons op een diepzinnige wijze heeft uigevraagt, of wij geen geld van onsen meester J.L. Dülcken te goed hadden, en wat reden hij hadde om met er woon te Antwerpen te komen etc. Waarop wij geantwoord hebben, dat wij nog geld te goed hadden, maar dat wij niet wisten om wat reden hij van woon wilde veranderen ten zij om zijn voordeel. Hierop heeft ons Doms Diepelius seer ernstig gewaarschuwt, dat wij wel op ons hoede moesten zijn, en maken ons geld te krijgen, want dat onsen meester niets deugde, dat hij hem als een jongen gekent had, dat hij altoos een quaade en ondeugdende jongen was geweest, dat hij in Vrankrijk zoodanig gemaakt hadde, dat hij deswegen zoude zijn opgehangen geworden indien hij zig niet door het doen van een valschen hadde gesauveert etc. Wij hebben hem betuijgt gelijk wij betuijgen hiermede, dat nog onse cameraat (die bij hem bij de 10 jaaren gewerkt heeft) nog wij nooijd iedts diergelijks gehoort hebben, maar onsen meester altoos gekent hebben voor een eerlijk man en dat wij gans niet bang waaren voor ons betalingen voor het overig is’t ons zulke lastingen seer vreemd van een geestelijke voorgekomen. In teken der waarheid hebben wij dit met ons eijgen hand ondertekent en zijn bereijd desnoodts dit alles altoos onder eeden te bevestingen.
Actum Antwerpen den 15 7ber (september) 1774
Was getekent
J. Ludwig Reusch
Johan Jacob Schnell
Foundation Musick's Monument