• Voor nog veel zwaarder zorgen komt hij te staan, als bekend wordt, dat
hij bij zijn nicht, Johanna Elisabeth Eichartin, die zijn huishouden doet, een
kind heeft verwekt, dat door hem is gedoopt, doch spoedig daarna overleed.
Hij moet daarom 10 Augustus 1751 voor de Synode in Den Haag verschijnen.
Eerst ontkent hij het feit uit vrees voor depostement, doch, als de praeses laat
doorschemeren, dat men hem zooveel mogelijk zal sparen, komt hij ''onder
thranen van berouw tot een openhartige bekentenis”. Na lang beraad schrijft
men aan den Kerkeraad, wat er is gebeurd met het advies, dat Diepelius voor
hem zijn zonde zal belijden, dan voor zes weken gecensureerd en met zijn
nicht eenmaal van het Avondmaal zal worden afgehouden. Tenslotte zal hij
een boetpredikatie over Ps. 51 : 4-6 houden in bijzijn van een of meer naburige
collega’s. Men verwacht een rapport daarover en een exemplaar van de preek.
Sympathiek is, dat men ook een ,,pastorale Christvriendelijke brief” zendt
aan de familie Riemensnijder met verzoek dien ook aan de andere leden te
laten lezen en Diepelius weer in liefde aan te nemen.
• Had Diepelius beloofd zich onderdanig te zullen gedragen, voor de uitvoe-
ring der voorschriften had hij zich toch een eigen strategie voorbehouden. Dat
blijkt wel uit het volgende. Er komt in een vergadering in Augustus een brief
van ds Anemaat, predikant te Ossendrecht en zeer met hem bevriend, dat hij
hem in ondertrouw had opgenomen in bijzijn van ouderling Dulcken (diaken
Riemensnijder was uit de stad), hem de censuur had aangezegd, 22 Augustus
had gepreekt, materie dienende met Diepelius onder zijn gehoor. Nu verzocht
hij met Dulcken de censuur tot drie weken te verminderen. De zaak zou
anders te zeer ruchtbaar worden en de naburige predikanten konden niet zoo
vaak komen preeken. Over 14 dagen zou het Avondmaal plaats hebben, waarna
de boetpredikatie kon volgen. Dep. strijken de hand over het hart en keuren
een en ander goed onder voorwaarde dat ook de diaken het goedkeurt.
• Over den schouder van Dep. de Moor, professor te Leiden, heen lezen wij
met hem een brief van 4 Februari 1753, waarin Diepelius schrijft: ,,Voorts
daar de jonge Heer Riemensnijder uyt het Oosterse Huys onlangs iemand
overreeten, die onder de Roomse Kerke-regten gekomen en sig in Brussel
voor een Mylord heeft uitgegeven : ja, hier aan het geestelijk hof is aangeklaagt
van sekere jonge dogter, die van hem binnen zes weken moet kramen... maekt
hij ook dit bekent om te toonen, hoe noodig, dat armepenningen uyt syne
handen kwamen”.
• Ongetwijfeld doet het hem geen leed, als Pijl en Bom schrijven, dat zij
niet met iemand als Dulcken in zee willen gaan, die ,,wegens zijn dwarsen
aart meer genegenheyt tot twisten dan tot vrede heeft”. Zij zien het aan ,,onse
seer lieve predikant, die ons heeft verhaald, hoe dat mons. Dulcken voorleden
Donderdagavond bij hem is gekomen en begeert heeft de sleutel van de arme-
penningenkist gedragende sig daarin als een barbaar. Hij wil tonen, dat hij
ook wat te seggen heeft”. Dulcken van zijn kant klaagt erover, dat ds hem
een brief van Dep. met allerlei voorschriften nog niet had laten lezen. Hij is
ziek en nu beroept ds zich erop, dat ,kerkaffaires altijd in het huis van den
predikant worden afgedaan”. Toen hij om een copie liet vragen, was het
antwoord : ,,Neen, dan zou hij die misschien afschrijven”. Na zijn herstel was
hij zelf naar ds gegaan, maar deze ,had hem vlak als een gek behandeld”.
Ds wil ,,van een schoenmakersknecht een diaken, die seer gering van begrip
is en hem alles en alles zou moeten toestemmen, maken”.
• Ook van Pijl en Blom krijgen Dep. een afstraffing. Zij hopen ,,andere
gedagten te hebben en te behouden omtrent onsen seer lofwaardigen predikant”
en zijn niet opgestookt tegen Dulcken. Om te toonen, dat hij ,,ons aangenaam
is, soo wel na de ziel als na het lichaam, soo sulle wij dat swaarwichtig ambt
aannemen”. De strijd blijft voortduren, zij het gaandeweg met andere rolver-
deeling. Bom is de eerste, die de partij van Dulcken kiest en ook Pijl gaat
anders over hem denken. Vroeger had hij wel gezegd niet met dezen te willen
dienen, maar Diepelius had hem ook zoo zwart gemaakt, ,,daar hij nu het
contrarie bevindt”.
• Toch behoudt Diepelius het slagveld. In tweeérlei opzicht. Dulcken overlijdt
op tweeden Paaschdag 1757 en wordt te Putte begraven. Zoo volbracht de dood,
wat Diepelius zelf niet had kunnen bereiken : distanciëering van zijn gestadigen
tegenstander, die zeker niet ten onrechte, ook voor ons, eenigszins is gerehabi-
liteerd ; waarschijnlijk een niet kwade kern in een ietwat ruwen bolster.
• De gemeente bestaat uit 5 of 6 huishoudingen zonder die van den ds : „Een
seekeren Bom met syn vrouw en 2 soonen, een wed. Dulken met een soon en
3 dogters, een Robbert Schot en syn vrouw en een Vene(z) en dan een seekeren
Hassifort met syn familie". 't Gehoor telt soms 30 menschen, soms minder.
• Door de gedurige wisselingen in 't college weet men niet meer welk een vulkaan de Olijfberg
kon zijn, totdat er in 1774 weer een eruptie komt en men in de Annalen moet
nazien wie Diepelius is en wat er alzoo met hem is gebeurd. Ter Juni-vergade-
ring is er nl. een brief van J. L. Dulcken met bittere klachten over Diepelius'
„slegte compostement". Beginnend met diens gedwongen huwelijk en alles
daaraan verbonden, meent hij, dat ieder over hem te klagen heeft, zoodat
,men niet meer in de kerk komt... en wij van het dierbaarste verstoken
blijven". Toen zijn vader stierf, was hij overal gezocht en eindelijk in een
herberg buiten de stad gevonden, te dronken om te kunnen bidden. Een van
zijne knechts, Lod. Ruijs, kwam als landsman veel bij ds aan huis en had
verkeering met de 17-jarige dochter, die hem 6 brieven vol trouwbeloften
had geschreven, maar hoorende dat de vader ertegen was, had hij ze alle
teruggegeven. Onder de preek op Hemelvaart wenkte ds den man en zei: „sta
op en gaat achter sitten", zekerlijk omdat zijn dochter zijn gezicht niet kon
verdragen. Hij antwoordde : „Waarom dat, ben ik zoo eerlijk niet als ieder
ander", waarop ds: „neen". De knecht ging ontsteld heen zeggende : „dan
zal ik zien, wat ik te doen heb".
Deze brief is 't sein tot een algemeenen aanval. Dan. Schnell, gegageerd
keizerlijk soldaat, die met vrouw en kinderen bij ds inwoont, schrijft dat hij
daarover eerst blijde was, maar zij konden „in geen slimmer handen zijn
gevallen". Ds is „van ergerlijk en dikwijls door dronkenschap beestachtig
gedrag, die alle menschen uitscheldt. Maar schold ook mijn genadigste sou-
verijn voor papenhoer, waarop ik hem ernstig bestrafte en zei, dat ik anders
mijn pligt zou doen"
. Een gehuwde dochter heeft een brief voor een zuster
besteld ; boos komt hij hem vragen haar daarvoor in haar huis bont en blauw
af te kloppen. Nu heeft hij weer gezegd, dat de Keizer zich wel met sodomie
zou ophouden. Hij wil veertien dagen wachten met dit aan te geven in de
hoop, dat ds intusschen in stilte wegkomt ; door te zwijgen zou hij ongelukkig
kunnen worden. Dep. vinden dit geval zoo zwaarwichtig, dat zij den man
naar Breda, waar zij juist voor de Synode zijn, ontbieden en hem zijne
beschuldigingen, die hij bereid is te beëedigen, laten onderteekenen.
Schnell onderteekent nog eens „für drey personen" met Egb. Harssevoort
(voor zijn huishouden) 6 personen, Herm. Kitzing id. 9 en M. Riemenschnijder
id. 8 personen een schrijven, waarin zij zeggen „eenparelijk ons toevlugt bij
Dep. te nemen, derwijl 't een saak is, die selfs ons in 't partiklier betreft,
waardoor sy allen in 't uyerste ongeluk gedompeld souden kunnen worden"
Kissing heeft nog afzonderlijk een verhaal, hoe Diepelius op slinksche wijze
een door hem te beëedigen verklaring had verscheurd, terwijl Harssevoort op
verzoek van Dulcken meldt, dat zijn pruikemaker Gielbert hem had gevraagd
den ds te waarschuwen ,dat hij voortaan sig moest wagten om sulke beestag-
tigheyt niet meer te doen nl. als hij uyt syn herberg quam, voor de kamer
daar Mans en Vrouwen sitten, midden op den weg publiek te staan syn water
te maaken, want dat er anders eenige uyt het Geselschap hem souden... met
,als kayserlik soldaat" in perpetueele angst heeft moeten leven voor wat hem
stond te wachten, als zijn plichtverzuim bleek.
tweede van links (met snor) = J.B. du Buy. – foto van afvaardiging vanuit nederland naar Edinburgh, wereldconferentie van Faith and Order. (voorstadium van de ‘Wereldraad van Kerken’). Hij vertegenwoordigde de ‘Doopsgezinden’
Dr J. B. du Buy
DE GESCHIEDENIS
VAN DEN BRABANDSCHEN
OLIJFBERG
Uitgegeven onder auspiciën van de
VEREENIGING VOOR DE GESCHIEDENIS
VAN HET BELGISCH PROTESTANTISME
BRUSSEL - 1960
EEN ONAANGENAAM MENSCH OP DEN OLIJFBERG.
Gaarne zou men dit hoofdstuk tot enkele regels beperken. Bijvoorbeeld zoo :
,Diepelius kwam in 1741 in den Olijfberg. Hij was geen aangenaam man, leefde
in stage oneenigheid met zijn Kerkeraad of een deel ervan. Hij stond er
veertig jaar en ging heen zonder begeerd te zijn, oud en der dagen zat, als
eens Koning Joram van Juda”. Maar dan zouden wij de betamelijke billijkheid
tegenover hem niet betrachten. De schuld lag niet alleen aan zijn kant. Evenmin
gaat het aan een tijdperk van veertig jaar in het leven eener gemeente met
enkele woorden af te doen. Wel zullen wij ons tot het uiterste moeten beperken.
De stof, welke de archiefstukken over dezen voorganger bieden, is op zijn
minst evenveel als die over alle andere tezamen. Daarbij is het relaas van
al die twisten, het ademen in een atmosfeer als de Olijfberg toen bood, alles-
behalve aantrekkelijk. Wij komen in een wereld van kleine zielen. Naar Goethe’s
woord, dat het overal, waar men in het volle menschenleven grijpt, interessant
is, kan echter ook het leven van een onbelangrijk iemand ons interesseeren, als
wij het maar in het rechte licht bezien. Zoo gestemd en gezind gaan wij ds
Diepelius op zijn levenstocht in den Olijfberg begeleiden.
Zelf beschrijft hij in het ,,Kerkeboek” dt. 29 November 1741 zijn komst ,,0p
het geleiden van den Engel van Gods aangesigt verscheenen”. Aanvankelijk is
alles botertje tot den boôm. In bijna gelijke bewoordingen ontvangen Depu-
taten in hun coetus van Februari 1742 een brief van hem met betuiging van
zijn genoegen in zijn standplaats en dankzegging voor de hem bewezen diensten
en een anderen van den Kerkeraad, waarin deze mutatis mutandis zijn genoegen
in den persoon en dienst van Diepelius betuigt. Deze gelijkluidendheid behoeft
ons niet te verwonderen. Hij zal den eenen brief persoonlijk, den anderen
officieel, als scriba hebben geschreven. Maar zij kan de toekomst typeeren,
niet in den zin van de eensgezindheid van voorganger en Kerkeraad, doch van
zijne ambities.
Over gebrek aan contact behoeven zijne committenten in Den Haag niet te
klagen. Kort na zijn komst bericht hij, dat door overlijden en vertrek het
aantal perpetueele leden van 26 op 20 is teruggevallen. Telkens weer Kklaagt
hij over den hoogen huur van zijn huis, waarin ook de kerkdienst plaats vindt
en verzoekt een minder kostbare woning te mogen zoeken. Hij is ook ontevre-
den over het geldelijk beheer. De diaken Riemsnijder heeft drie jaar lang
一 133 -
f 800 onder zich gehouden. Wel is het geld thans uitgezet, doch de handschriften
blijven onder hem ; de collecte wordt ook niet genoteerd in bijzijn van predikant
of ouderling. Voorts vreest hij, dat hij door den Lutherschen secretaris van
een regeeringscommissie uit Holland, die voor politieke besprekingen onder
leiding van den Heer de Dieu in Antwerpen vertoeft, ,,mogelijk uit een religions-
ijver seer gedenigreert wiert” bij dien Heer. Ten slotte vraagt hij om een
reglement voor den Kerkeraad, ,,waarna elk sig sou moeten gedragen”.
Dep. gaan niet over ijs van één nacht. Zij vragen inlichtingen aan den
heer de Dieu en aan den Kerkeraad. Eerstgenoemde wijst de klachten zonder
meer af. De vergaderzaal moet men aanhouden. Het huis ligt ,,in een stille,
dog fatsoenlijke straat en het volk is daar van lange tijden een gereformeerde
kerk gewoon... Die de gesteltheyt te Antwerpen kent en weet, hoe weinig de
regeering meester van het grauw is, wien sulk een verandering in 't oog sal
steeken, soude ’t blijven in datselve huys noodsakelijk achten”. Over den
secretaris had Diepelius geen reden zich te beklagen. De collecte was van
weinig waarde en de predikant kon altijd ervan visie hebben. Voorts gaf hij
groot getuigenis van de aangenaamheid der voornaamste leden en meende, dat
al 't ongenoegen, indien niet geheel, tenminste voornamelijk van den predikant,
,die heblust en heerssucht liet blijken, wiert veroorsaakt”. Hij ried Dep.
aan hem ,hardelijk” te berispen en tot een ordelijk gedrag aan te sporen.
Ook de Kerkeraad laat zijn licht over de zaak schijnen en schrijft niets
te weten van ,,zaden van twist” in onze Kerk. De collecte wordt in bijzijn van
den predikant geteld en genoteerd. De secretaris bedoelt het beste voor de
Kerk, al is hij dan Luthersch.
Het voorloopig einde is, dat Diepelius schuld erkent, ,,in zoover hij zich
beklaagt over het ongenoegen, dat Dep. in zijn gedrag hadden met belofte
haren raad in agt te sullen nemen”.
Een tijdlang houdt Diepelius zich dan stil. Het zijn de jaren van den Oosten-
rijkschen successieoorlog. Er is veel duitsch sprekend militair in de stad. Hij
viert wel eens Avondmaal met 150 communicanten uit het garnizoen.
Hoe glorieert hij, wanneer hij in Januari 1746 zelfs tot ,,guarnisoens
predikant” wordt aangesteld en zoo in priesterlijk gewaad en onder gezang den
dienst heeft waargenomen. De vreugde was echter kort van duur. Antwerpen
was weer Fransch bezit geworden. Op 15 Juni had hij voor het laatst voor het
oude garnizien gepreekt. Dat beteekende voor hem o0k een aanzienlijke
vermindering van inkomsten met het gevolg, dat Dep. weer een verzoek
krijgen, of hij een kleiner huis mag huren. Voor zich persoonlijk zou hij met
één kamer kunnen volstaan. Als brief op brief volgt, verwijzen Dep., met
de zaak verlegen, hem eerst naar den Raadpensionaris en daarna naar ,mijnc
Heeren de Staaten”, vermits zij zich ,,in versoeken van dit natuur niet kunnen
inlaten”.
Over een andere klacht verwonderen wij ons minder dan Dep., daar wij
zoo iets reeds eerder hebben meegemaakt. Hij schrijft, dat hij bijna over een
geheel jaar geen tractement heeft ontvangen. Nog moet hij drie maanden
一 134 -
wachten, eer het komt. Voor dit geduld verdient hij toch wel een schouder-
klopje !
Voor nog veel zwaarder zorgen komt hij te staan, als bekend wordt, dat
hij bij zijn nicht, Johanna Elisabeth Eichartin, die zijn huishouden doet, een
kind heeft verwekt, dat door hem is gedoopt, doch spoedig daarna overleed.
Hij moet daarom 10 Augustus 1751 voor de Synode in Den Haag verschijnen.
Eerst ontkent hij het feit uit vrees voor depostement, doch, als de praeses laat
doorschemeren, dat men hem zooveel mogelijk zal sparen, komt hij ''onder
thranen van berouw tot een openhartige bekentenis”. Na lang beraad schrijft
men aan den Kerkeraad, wat er is gebeurd met het advies, dat Diepelius voor
hem zijn zonde zal belijden, dan voor zes weken gecensureerd en met zijn
nicht eenmaal van het Avondmaal zal worden afgehouden. Tenslotte zal hij
een boetpredikatie over Ps. 51 : 4-6 houden in bijzijn van een of meer naburige
collega’s. Men verwacht een rapport daarover en een exemplaar van de preek.
Sympathiek is, dat men ook een ,,pastorale Christvriendelijke brief” zendt
aan de familie Riemensnijder met verzoek dien ook aan de andere leden te
laten lezen en Diepelius weer in liefde aan te nemen.
Den volgenden dag aanvaardt hij de voorwaarden met dank voor de
vaderlijke behandeling, waarna men hem ,,al 't nodige van Jehova om Jezus’
wille toewenscht”. De nicht krijgt onder vier oogen een bestraffing van den
scriba ; zij verzoekt aan de gemeente te vragen haar niet te verachten.
Had Diepelius beloofd zich onderdanig te zullen gedragen, voor de uitvoe-
ring der voorschriften had hij zich toch een eigen strategie voorbehouden. Dat
blijkt wel uit het volgende. Er komt in een vergadering in Augustus een brief
van ds Anemaat, predikant te Ossendrecht en zeer met hem bevriend, dat hij
hem in ondertrouw had opgenomen in bijzijn van ouderling Dulcken (diaken
Riemensnijder was uit de stad), hem de censuur had aangezegd, 22 Augustus
had gepreekt, materie dienende met Diepelius onder zijn gehoor. Nu verzocht
hij met Dulcken de censuur tot drie weken te verminderen. De zaak zou
anders te zeer ruchtbaar worden en de naburige predikanten konden niet zoo
vaak komen preeken. Over 14 dagen zou het Avondmaal plaats hebben, waarna
de boetpredikatie kon volgen. Dep. strijken de hand over het hart en keuren
een en ander goed onder voorwaarde dat ook de diaken het goedkeurt.
Hun goede bedoeling had beter lot verdiend. Zelden zullen zij zoo onzacht
uit zoete droomen zijn wakker geschud als door een boozen brief uit Antwer-
pen van Riemensnijder. Een vroeger schrijven had hij met ,,innerlycke aendoe-
ninge, egter ook verheuginge des herten, omdat daaruyt sag, dat den regtvaer-
digen God behaegt heeft de saeken van ds Diepelius aan “t ligt te brengen en
daertoe Ged. der Christelijke Synode als een middel in syn hant te gebruycken”
gelezen. In dien brief was ook sprake van een bijzonder schrijven van Dep.
aan den Kerkeraad, welks inhoud Diepelius eerst later meedeelde. Toen hoorde
hij voor het eerst van de censuur en hare vermindering, van Dulckens erkenning
als ouderling en van de boetpredikatie. Geen wonder, dat hij ontsteld was bij
de ontdekking van deze tot nu toe welgelukte strategie om hem buiten alles
te houden, al speelde hij zijn voorganger wel zeer in de kaart door zijn
一 135 一
hooghartig zich terugtrekken. Zelf schrijft hij, dat ,,ik of niemand van onse
familie in syn gehoor gekomen is (als sekerlik in die tijd bij so een man geen
nut of vrugt uit Gods Woort konnende halen)”. Met den bestaanden toestand
zal hij nooit vrede nemen.
Op hun beurt schrikken Dep. van zijn brief. Daar er geen tijd was om een
coetus bijeen te roepen, wordt er als resultaat van een schriftelijke rondvraag
aan Diepelius, Riemensnijder en Anemaat geschreven.
De eerste wordt broederlijk berispt, dat hij Riemensnijder van alles
onkundig had gelaten en vermaand hem vergiffenis te vragen voor de gegeven
ergernis. Nummer twee verzoekt men inschikkelijk te zijn en de zaak maar te
nemen, zooals zij lag, als Diepelius zich voor hem vernederde. Anemaat moet
trachten partijen zooveel mogelijk met elkander te verzoenen.
Uit een ,alderwijdlopigst” schrijven van Diepelius blijkt, dat hij de orders
had opgevolgd. Hij had zich op 1 September diep wegens zijne zonden voor
Riemensnijder vernederd, hem de copie van de censuur voorgelezen, want het
origineel, dat deze wenschte, had hij niet uit handen willen geven. Later had
hij hem ook om zijn toestemming tot vermindering van de censuur gevraagd,
wat hij had ingewilligd, waarop een kus van vergeving was gevolgd.
In alle geval is de verzoening een lichtpunt voor Dep. Alles — hopen zij —
zal nu goed gaan. Diepelius houdt zijn boetpredikatie in bijzijn van de geheele
familie Riemensnijder. Het toegezonden exemplaar wordt gelezen met ,,inner-
lycke aandoeninge en ontroerende deernis hunner harten”. Voordat zij hem
echter den troostbrief, waarom hij heeft gevraagd, zenden, willen zij een
beloofden brief van Riemensnijder afwachten. Deze blijft maar steeds uit en
eerst na vele maanden hoort men, dat hij Dulcken nooit als ouderling zal
erkennen en zijn ambt liever opgeeft. Ook een persoonlijk gesprek met
partijen te Breda baat niet. In arrenmoede wordt dan afgesproken, dat Riemen-
snijder al wat hij onder zich heeft binnen twee maanden tegen recepis aan
Dep. zal afgeven, ,,alsoo hij deselve aan ds Diepelius en Dulcken sonder toesigt
van Dep. niet vertrouwt”.
Dan krijgt Riemensnijder de verlangde kwijting en draagt alles af, zeer
tot leedwezen van Dep., wijl thans één persoon, Dulcken, ouderling en diaken
is en den geheelen Kerkeraad uitmaakt.
Toch komt ondanks zijn zich terugtrekken onze broeder aanstonds weer
in het volle licht te staan, want — speling van het lot 一 hij struikelt op
hetzelfde gebied, waar Diepelius had gefaald.
Over den schouder van Dep. de Moor, professor te Leiden, heen lezen wij
met hem een brief van 4 Februari 1753, waarin Diepelius schrijft: ,,Voorts
daar de jonge Heer Riemensnijder uyt het Oosterse Huys onlangs iemand
overreeten, die onder de Roomse Kerke-regten gekomen en sig in Brussel
voor een Mylord heeft uitgegeven : ja, hier aan het geestelijk hof is aangeklaagt
van sekere jonge dogter, die van hem binnen zes weken moet kramen... maekt
hij ook dit bekent om te toonen, hoe noodig, dat armepenningen uyt syne
handen kwamen”.
Zoo min als wij begrijpt de Moor de bedoeling en hij vraagt nadere inlich-
— 136 —
ting. Als deze komt, blijkt als bedoeling, dat Riemensnijder ,,een visverkoo-
per met zijn chais en peert overvaren ofte overreeten hebbe soo dat het over
den man gelopen heeft”. ,,Voorts is geenszins een vrembde, maar Riemensnijder
van een jonge dogter geaccuseert.” Met behulp van een kanunnik Finck, ,die
hem seer bemindt en sijn geliefd Riempje noemt en een advocaat Rosa heeft
hij het meisje overgchaald om hem van ’t arrest, dat zij van den Bisschop
tegen hem had gekregen, te ontslaan”, waarop ’s avonds in bijzijn van dezelfden
en van den secretaris van “t geestelijk hof een accoord met het meisje was
getroffen om voor f 400 ontslagen te worden ten opzichte van zijn persoon,
maar niet van de zwangerschap. Den volgenden dag was hij naar Engeland
vertrokken na aan het meisje een request te hebben doen insinueeren.
Diepelius staat nu voor een groote zorg. Wat moet hij doen, als het kind
ter wereld komt ? Doopt hij het niet, dan geeft hij grooten aanstoot aan de
Roomschen en is hij zijn leven niet zeker. Doopt hij het wel, dan staat hem de
bijna onverzoenlijke haat van de familie Riemensnijder te wachten. Hij eindigt
met een stichtelijke overdenking als vroeger Riemensnijder aan Dep. over
Diepelius ten beste had gegeven: , Kan niet nalaten Gods heilige regtvaerdig-
heyt te roemen; waarom komen nu al dese dingen te voorschijn van dien
jongen Heer, die mij alom gejaagt en vervolgt heeft ? God doe hem en syn
verstokte familie sien, dat hij regtvaerdig is in alles”.
Zijn zorg is voorbarig. Het kind wordt Roomsch gedoopt, nadat het meisje
,,Op Roomse wyse effejes voor het baren een eed had gezworen, dat Riemen-
snijder de vader was”. Maar dank zij de maatregelen met behulp van Finck
genomen wordt in geen enkele diocese de naam van het kind in een doopboek
ingeschreven. Hij vraagt nu aan Dep. instructies hoe zich tegenover Riemen-
snijder te gedragen, want deze is weer terug uit Engeland, daar het Oost-
Indische schip drie dagen tevoren was vertrokken. Moet hij onder censuur
en zoo ja, welke ?
Scriba schrijft nu een brief aan Riemensnijder, dat hij zich moet verant-
woorden ; anders zal men middelen overwegen om ’t gegeven schandaal te
remedieeren. Diepelius moet hem dien brief overhandigen. Dit past echter niet
in diens ,,plan de campagne” ; hij acht het “t beste, dat hij Riemensnijder onder
vier oogen tot belijdenis van zijn zonde tracht te brengen en hem dan onder
een censuur te stellen, als Dep. zouden wenschen, bij voorkeur een censuur,
die aan de gemeente onbekend blijft. Dat ware het zachtste middel om hem
tot inkeer te brengen en zijn familie neer te zetten.
Als dan Diepelius op zijn verzoek persoonlijk aanwezig is op den coetus
van 4-8 Juni 1753, is zijn rapport over Riemensnijder kort. Deze belet hem
elke gelegenheid tot een gesprek en mijdt de kerk. Het laatste, dat wij van de
zaak hooren, is een mededeeling van prof. de Moor. Hij heeft uit Gent een briefje
ontvangen van mej. Brangeers (zoo heette het meispe), dat zij gaarne ,,tot onse
religie wil overkomen” en daartoe hulp vraagt. Dep. voelen daarvoor niet en
laten haar door Diepelius weten, dat zij even goed te Antwerpen in den schoot
Bijlage XII.
BRIEF VAN MEJ. BRANGEERS.
Geent den 9 Julius 1753.
Mijnher ende vrindth,
Desen dint om aan UEd. te versooken van mijn klijn versoock te permetere
om aen UEd. te versoke, vermist UEd. van mijne saek verwitigt is van het
geval, dat mij is ooverkome van iohannes barnardus rimesnijiers woonaghtigh
in antwerpen en ick nu schver disperaet bin, vermist ick met hem in proses
bin en ick niet vorder en kan gedint worden sonder borgh bestelle hebbe didt
mote late stil staen en ben uyt antwerpen wegh gegaen om mijn eyge relisei
die mij niet bij en staet om dieswil dat ick het kint hebbe wile late volgen aan
rimesnijer en in sijn geloof op te brengen en sij het kint naer haer hebbe
genome en ick mij nuw heel in konde oovergeve om in UEd. geloof te leve en
te sterve en versook de grasei van UEd. dat UEd. my togh souw wille aenverde
en mij te onbide om naar Leyden toe te koome en daer het geloof van UEd. te
aenverde niet om rimesnijiers wil maer voor goodt ik sou wel in antwerpe
het geloof aangegaen hebbe het niet derve bestaen om de opsprak en ick als
nu noot geen rust en hebben vooralleer ick daertoe sal koome en versooke de
grasi van UEd. door de vrosprak van den doomino van antwerpe die my aen
UEd. gerikomandert heeft en dat is sijn eijgen hant, die hij aen mij heeft
geschreve om mij te aderesere als ick naer hollant souw wile treke en versook
een letterke antwort of UEd. my souw het geluk late profitere van bij UEd.
geadvisert te mogen worden hetwelck ick hoop daer alsdan te blijve dine voor
myne koost verwaten antwoort siito in groot verlangen blijve naer hartelijke
groetenisse aen UEd.
Myn adders is by peter Kukelen op den hooch aen de urselinestrat tot
geent om vorders te bestelle aen juffrouw brangeers ten huysen van de barones
van nevel tot geent daer woon ick voor linseer
blyve UEd. dienaresse anna Magrito brangeers
BRIEF VAN ANONIMUS (Ds DIEPELIUS) AAN (A. M. BRANGERS).
Antwerpen 2 Juni 1753.
Juffrouw!
Als UEd. geliefde naer Holland te trekken, soo kost sig UEd. addresseren
aan het consistorium van die religie, waartoe UEd. soude lust hebben. Of indien
UEd. in Leyden quam aen den prof. de Moor of naer Delf aen den ds Manger :
dese 2 Heeren weeten Uw geval met Riemenschnijder en soo kosten sij te eer
UEd. helpen. Of bijaldien UEd. in Holland selve was, soo kost UEd. aan dien
Ds, waeraen sig UEd. addresseert, seggen dat hij aen mij kost schrijven naar
Antwerpen, ingeval hij UEd. niet en wilde gelooven en dan sal wel tot Uw
voordeel antwoorden. Alleen UEd. moet weeten, dat UEd. daer sal moeten voor
kost werken : waermede mij noeme naer toewenschinge, dat God UEd. gelieve
in die goede voornemens te versterken
UEd. vriend anonimus.
P.S. UEd. kan staat maken, dat niemand en sal Uw voorneemen seggen
nog bekent maken, waar UEd. thans resideert of woont.
— 137 —
der Kerk kon worden opgenomen ,,als dat sulks te Delft of Leiden geschiedde”.
De afloop blijft onbekend. Haar naam wordt niet meer genoemd. Hetzelfde is
ook met Riemensnijder het geval. Wij mogen zeggen, dat hij zich zelf heeft
uitgerangeerd.
Daar er een nieuwe Kerkeraad noodig is, wordt naast Dulcken een zekere
Pijl tot ouderling en Bom tot diaken benoemd, beiden eenvoudige lieden.
Diepelius hoopt, dat hierdoor de invloed van Dulcken, die zeer zeker geen
gemakkelijk man was en met wien hij steeds overhoop lag, zal verminderen.
Ongetwijfeld doet het hem geen leed, als Pijl en Bom schrijven, dat zij
niet met iemand als Dulcken in zee willen gaan, die ,,wegens zijn dwarsen
aart meer genegenheyt tot twisten dan tot vrede heeft”. Zij zien het aan ,,onse
seer lieve predikant, die ons heeft verhaald, hoe dat mons. Dulcken voorleden
Donderdagavond bij hem is gekomen en begeert heeft de sleutel van de arme-
penningenkist gedragende sig daarin als een barbaar. Hij wil tonen, dat hij
ook wat te seggen heeft”. Dulcken van zijn kant klaagt erover, dat ds hem
een brief van Dep. met allerlei voorschriften nog niet had laten lezen. Hij is
ziek en nu beroept ds zich erop, dat ,kerkaffaires altijd in het huis van den
predikant worden afgedaan”. Toen hij om een copie liet vragen, was het
antwoord : ,,Neen, dan zou hij die misschien afschrijven”. Na zijn herstel was
hij zelf naar ds gegaan, maar deze ,had hem vlak als een gek behandeld”.
Ds wil ,,van een schoenmakersknecht een diaken, die seer gering van begrip
is en hem alles en alles zou moeten toestemmen, maken”.
Geen wonder, dat wij na dit alles lezen: ,’t Verdriet Dep., dat hun veel-
vuldige sorgen soo qualijk worden beantwoort door den warsugtigen geest
van de leden aldaar. Zij zien in dezen handel de heerssuchtige aart van Diepe-
lius doorstralen, door wien Pijl en Bom waarschijnlijk worden opgezet”. Conse-
quent eischen zij, dat aan hun last stipt zal worden voldaan.
Dit helpt. Men buigt voor hun gezag, wat vooral Diepelius zwaar valt. Op
zijn gewone theatrale wijze schrijft hij ,,hoe mij God heeft gelieven te
praemunieeren tegen de ontmoetingen in Den Haag en tegen den pas ontvangen
brief. In de wachtkamer van de Kloosterkerk was de Heer hem voorgekomen
met de woorden : ,,Vrees niet, want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen
zijn”, en dat had hem moed gegeven om soms te spreken en soms te zwijgen.
In Antwerpen terug ,na drie nagten in een schip op een blank te hebben
gelegen”, was hij voornemens den brief aan Dulcken voor te lezen, maar deze
was ziek, waarin hij de Voorzienigheid Gods opmerkte. Ook verder had de
barmhartige hoogepriester Jezus hem versterkt ,tegen de schwart drijvende
wolken... gelijkerwijs hij wel meertijts mij tegens toekomende stormen heeft
bewapend”, zoodat hij als van den hemel het woord Luk. 14 : 26 hoorende, al
kwam het zijn boos hart , wat schwaer voor” zijn leven te laten, na eenige
worsteling toch moest seggen: ,,Jae, Heere, in dit eigene ogenblik sal mijn
leven laten, soo het U gelieft”. Dat had hem ook gesterkt, toen hij na de voor-
bereiding tot het Avondmaal, waarin het seer goed hadde ten opsigte van
mijselven” de brieven ontving, die hem in de eenzaamheid brachten waar hij
ze ,niet sonder thranen als voor den hooggeduchten God openlegde”.
— 138 —
Ook van Pijl en Blom krijgen Dep. een afstraffing. Zij hopen ,,andere
gedagten te hebben en te behouden omtrent onsen seer lofwaardigen predikant”
en zijn niet opgestookt tegen Dulcken. Om te toonen, dat hij ,,ons aangenaam
is, soo wel na de ziel als na het lichaam, soo sulle wij dat swaarwichtig ambt
aannemen”. De strijd blijft voortduren, zij het gaandeweg met andere rolver-
deeling. Bom is de eerste, die de partij van Dulcken kiest en ook Pijl gaat
anders over hem denken. Vroeger had hij wel gezegd niet met dezen te willen
dienen, maar Diepelius had hem ook zoo zwart gemaakt, ,,daar hij nu het
contrarie bevindt”.
Toch behoudt Diepelius het slagveld. In tweeérlei opzicht. Dulcken overlijdt
op tweeden Paaschdag 1757 en wordt te Putte begraven. Zoo volbracht de dood,
wat Diepelius zelf niet had kunnen bereiken : distanciëering van zijn gestadigen
tegenstander, die zeker niet ten onrechte, ook voor ons, eenigszins is gerehabi-
liteerd ; waarschijnlijk een niet kwade kern in een ietwat ruwen bolster.
Daarnevens krijgt Diepelius een nieuwe woning, zoo aantrekkelijk als hij
in zijn stoutste droomen nooit zal hebben gezien. In Juni komt er een brief
van hem met bericht van wat de groote — en welk eene! — emotie in zijn
leven zal zijn, de relatie tot het Oostersche huis, waarin hij zal komen te
staan. Dezen naam hebben wij al eer gehoord. Tot goed begrip van het
volgende blijven wij enkele oogenblikken voor het huis stilstaan om het te
bezien, opgewekt door deze dichterlijke ontboezeming :
Wend, wend uwe oogen nae die Hemel-hooge daeken
Van ’t Oosterlingen Huys : nu hoort men “t niet meer kraeken
Door ’t drukkende gewigt van pak op pak gelaen
Maar door den roest des tijds is het nutteloos vergaen.
De naam duidt reeds aan, dat het een bezit was van de drie Hanzesteden
Bremen, Hamburg en Lubeck. In 1564 gebouwd, bevatte het op twee verdiepin-
gen 300 vertrekken tot nachtverblijf voor kooplieden dienend. Beneden waren
de pakhuizen voor opstapeling der koopwaren. Niet lang hadden de drie steden
genot van haar gebouw, want, zooals wij reeds weten, ging na 1585 de
handel hard achteruit. Bovenstaand gedicht is dan ook een klacht uit den
tijd, dat aan Antwerpen ,,de keel is toegebonden”.
Het opzicht over het huis was jarenlang aan de familie Riemensnijder
toevertrouwd geweest. Waarschijnlijk was reeds de vader van het thans
levende geslacht huisvoogd geweest ; in alle geval was de oudste zoon Paulus
zulks in 1733. In 1746 overleden verving hem onze ,,jonge Riemensnijder”. Deze
was echter om zijn gebrekkig beleid ontslagen en nu werd de post door
bemiddeling van zekeren Lieutenant van Raesvelt aan Diepelius aangeboden.
Overgelukkig schrijft hij aan Dep., dat bij zijn dreigende dakloosheid ,,de
Voorzienigheid hem had doen voorkomen een aanbieding van te wonen in
't Oostersche huis, vrij van huur en met nog eenige emolumenten”. Dat zal
hem een voordecl van 100 rijksdaalders opleveren en de gemeente f 24
kamerhuur besparen. Ook als vergaderplaats is het huis zeer geschikt. Nu
vraagt hij toestemming om de post te aanvaarden.
Deputaten juichen waarlijk nict met hem mee en vragen allerlei inlichtingen,
— 139 —
hoe hij met de drie steden in contact was gekomen, of zij wel wisten van zijn
intentie om daar godsdienst heimelijk te oefenen, of hij en de gemeente niet
te veel in het oog zouden loopen en de directie niet onbestaanbaar was met zijn
»caracter” en veel meer nog. Bovenal, zonder toestemming der Staten van
Holland als zijne betaalsheeren kan hij niets beginnen en kunnen zij niets doen.
Diepelius zendt dan copie van zijn aanstelling en andere stukken met de
toelichting, dat invloedrijke lieden hem hebben aanbevolen. De Voorzienigheid
maakt hem bekend. Hoe ? ,, Kann niet weten.” Zijn qualiteit kent men, want
,,andersins souden se mij die charge niet hebben opgedragen”. Het huis is van
de drie steden en ligt vrij met verschillende ingangen, heeft predikprivilege en
kan eer en luister aan de gemeente toebrengen en ,,door de werklieden, die
daaraan werken, enige eer en veyligheyt aan de predikanten, in haar uitgaan
op de straten veroorsaken”. Zeker, hij weet, dat de Staten zijne betaalsheeren
zijn, maar ook zijne genadige souvereinen, die het recht beminnen. Verder
hoopt hij geen stap te doen, omdat nu bijna alles is afgedaan v66r het ontvan-
gen hunner missive.
Onzeker wat te doen vragen Dep. den Raadpensionaris om advies. Steyn
vreest voor opspraak en overlast der gemeente, indien haar predikant ,,zoo
brillant in een openbaar huis ging wonen en vergaderen”. Hij raadt aan, dat
Diepelius ervan zal afzien, ,,tot zoolang de zaak hier met rijper rade overwogen,
anders begrepen en tot een gewenscht einde gebracht zou zijn”.
Feitelijk stond dit advies met een weigering gelijk, want de Hanzesteden
zouden de aanstelling van een zaakwaarnemer zeker niet uitstellen, totdat de
Heeren in Den Haag ,een gewenscht einde” hadden gevonden. Ad calendas
graecas.
Uit het antwoord van Diepelius, die op een Zaterdag, bezig met een text uit
Esajas: ,,En vreest niet, gij woormpje Jakobs, gij volkjen Israels” den brief
had ontvangen, haal ik een en ander aan. ,,In de omstandigheden, waarin nu
was, kost mij ook als een dusdanig wormpje aanmerken. Dit dreef mij in
d’eensaamheyt om eenige ruimte te mogen genieten en daar de goede God
mij genaede gaf om voor syn aangesigt mijne noden ook met tranen in de
oogen, daar die nagt niet voor 2 uuren kost slapen, bekent te maken, soo wiert
mij al stillejes toegeroepen: ik helpe u. Dies al mijn vertrouwen op God
stellende... ja verder ondervindende dat er tot mij als gesegt wiert : ik segge
u, dat hij haastelijk regt sal doen, soo wiert mij moed gegeven tot de hope, dat
God mij helpen en regt doen soude”.
De toepassing ligt voor de hand. Dep. kunnen het middel zijn, waar-
door God hem helpt. Als wormpje bidt hij daarom gelijk hij door de Riemen-
snijders als een wormpje wordt vertrapt, die uitstrooien ,,dat hij hun den
voet ligt, dog zelf van zijn dienst sou worden afgeholpen”. Hij hoopt, dat men
hem zal helpen, raden en redden en wenscht ,svan voor Uwe voeten als een
wormpje te mogen kruipen”. Meer praktisch is hij, als hij zijn voornemen te
kennen geeft om deze week naar Den Haag te reizen. Dit bezoek bij een tweetal
Dep., resp. te Leiden en in Dordt als ook bij Steyn in Den Haag brengt wel geen
dadelijk resultaat, doch blijkt niet onvruchtbaar te zijn geweest.
— 140 —
Weer thuis krijgt hij bericht, dat men hem zal toestaan het huis te betrekken
op deze drie voorwaarden: 1* Hij zal, als de Staten het niet goed vinden,
aanstonds uit het huis gaan ; 2* Blijkt de inwoning schadelijk voor de gemeente
dan zal hij aanstonds een eigen huis huren ; 3* Hij zal moeten vertoonen een
schriftelijk consent van Lubeck, dat de Ger. godsdienst in ’t huis mag worden
geoefend. Op deze condities leggen Dep. allen nadruk.
Voor het verlof bedankend, belooft hij ,,de driedeelige proposities te zullen
preesteeren”, zoovecel hij kan. De toestemming zou echter lang kunnen uitblij-
ven. In de notulen is dit zóó geinterpreteerd, dat hij ,,de drie conditien maar aan-
merkt als propositien, sig onderwerpende aan deselve, doch hoopt, dat het
hem niet kwalijk zal worden genomen, dat hij het huis betrekt, eer hij het
consent zal kunnen vertoonen”, Dep. zijn zeer ontstemd over dezen brief in
de meening, dat hij met name de derde voorwaarde tracht te ontduiken. Tot
hun boosheid zal bijdragen, dat hij een staat van de gemeente erbij voegt,
waarin een ,,chronique scandaleuse” van de familie Riemensnijder een groote
plaats beslaat, een heele waschlijst met heel veel heel vuil goed. Maar waarom
geeft hij ze ? Het antwoord zal wel zijn: Waarvan het hart vol is, loopt de
mond over. De familie was natuurlijk niet zeer gesticht door haar gedwongen
verhuizing uit het huis, waar 15 kamers tot haar beschikking stonden, welke
Diepelius nu kreeg. Dat broerlief zijn eigen zaak had verknoeid, was duidelijk
genoeg. Hij was nu eenmaal een schuinsmarcheerder. Doch dat Diepelius hem
opvolgde, dat maakte het recht zuur, zoodat zij hem in zoo kwaad mogelijk
daglicht zullen hebben gesteld. En nu had Diepelius op zijn beurt behoefte
zijn hart te luchten, maar door die schandaaltjes, met leedvermaak verteld, zal
hij Dep. zeker niet hebben verteederd. Op advies van Steyn antwoorden deze
hem, dat zij hem niet voor zoo onnoozel houden, dat hij het verschil tusschen
conditie en propositie niet begrijpt. ,,Het schijnt, dat u sig verbeeldt volkomen
sui ipsius juris te syn en het regt te hebben van onse orders soodanig een
interpretatie te geven, als u behaagt”. Ten slotte de raad zich niet zoo met
wereldsche affaires in te laten, dat de gemeente eronder lijdt, waarop men
nauwkeurig zou letten en terwille waarvan ,,wij ons nog menageeren van met
u te handelen sooals u wel verdiende”.
Dan komt een brief van September, eerst in December behandeld, de
bangste vrees van Dep. waar maken. Diepelius moet 29 December zijn huis
verlaten en zonder consent 't Oostersche huis betrekken. De acta karakteri-
seeren den brief aldus, dat hij tracht ,,sig op een frivole wijse te excuseeren”.
In alle geval vatten Dep. zijn kermen niet meer als ernst op, wanneer hij o.a.
zegt : ,,Hebt eer met mij als met Uw kleinste Medebroertje in dit Babel mede-
lijlden, waarin ik daagelijks verdrukt worde van wegens mijn lighaemsge-
stalte, waaromtrent somtijds veele affronten op de straate lijde. O, mij dunkt
menigmacl, dat ik in een persse zat en dat die maar toegedrukt wiert en dan
moet ik wel ccns uitroepen : Heere!... laat maar daardoor mijne sonden voor
eeuwig verdrukt worden... Immers wanneer niet God geliefde te ondersteunen
en mijn schwaarc last te versocten door nu en dann eens een kruimpje van
syn gnaedc-tafcl op mijn magere sicle, wat was ik tog!”
— 141 一
Steyn vindt met Dep. dit optreden een stoute vermetelheid en raadt aan
voorloopig niet te antwoorden; zij hebben een machtiger wapen dan hun
boosheid, dat Diepelius misschien wel 't meest „in een persse" deed zitten. Het
was zeer beslist niet elegant, maar als Diepelius in Maart 1758 om zijn tracte-
ment vraagt, laat Steyn Dep. antwoorden, dat men eerst nader bericht in zake
het consent wacht.
Van zijn kant doet onze vriend zijn best bij Lubeck, waar men bezwaar
heeft „tegen een openlijken brief van consent". Wel wil men hem tegemoet
komen, als hij de in zijn schrijven genoemde briefwisseling (hij had de
Staten van Holland, ambassadeur van Haren e.a. genoemd) ter inzage zond.
Nu moet hij, die waarschijnlijk op de magische kracht van deze namen had
gespeculeerd, terug krabbelen. Hij heeft niet alle brieven bewaard, andere
bevatten zaken van secretesse, maar hij vindt er nog een van... den Capellaan
der Princesse Royale.
Wij zien de verbaasde gezichten der Lubecker heeren bij de opgave van
dit document. Gelukkig voor Diepelius is, dat hij een meer sprekend argument
kan aanvoeren met het historisch precedent, dat er reeds vaker is gepreekt.
De zaak blijft sleepende. Als hij verzoekt „met mij zoo te handelen als
de Hoogeerwaarde Heeren doen zouden met een van uwe geringste dienstboden,
als zij haar loon verdient", slaat dit argument op den man af niet in. Wij
hooren het hen uit de notulen zeggen : „Een stoute onderneming het huis te
betrekken zonder consent ! Een zeer verregaande vermetelheid in zijn verzoek
aan Lubeck te melleeren de Staten en bar. van Haren!" Even doof blijft men,
als hij jammert, dat hij ten doode toe ziek is geweest, maar „de Heer gaf
verzekering van genezing, dat 'tanderen daags volgde", als hij klaagt, dat
hunne verwijten hem zeer doen of er op roemt, dat het wonen in het huis tot
voordeel der gemeente is en dat de Heeren van de Hanze verblijd zijn „dat
in haar huis de directie heb aanvaart, want tog in wat handen souden sy
beter gevallen zijn" ?
Dan spreekt in Mei 1758 de Raadpensionarisc het verlossende woord. Hij
geeft in overweging, of Diepelius zich in het nauw voelende, niet de Kruis-
gemeente in ongelegenheid kon brengen ,met door zijn onvoorsichtigen handel
de Roomschen te doen alarmeeren tegen de weinige Gereformeerden aldaar".
't Ware wellicht 't beste, dat Dep., hoe weinig Diepelius het verdiende, nog
voor dit maal teekenden en hem ernstig veraanden liever het huis te
verlaten dan de gemeente in gevaar te brengen.
„Dit wijs en voorsigtig præadvies behaagde alle Gedeputeerden." Was er
niet het rijmpje : „Wat de Heeren wijzen, zullen wij prijzen ?"
Wij hooren de zucht van opluchting uit hunne geprangde harten, als zij
in de volgende cœtus een brief van Diepelius krijgen met copie van het consent.
Zij hebben daarenboven veine, want scriba heeft den brief nog niet verzonden
waardoor de broeders bewaard blijven voor de openbaring eener inconsequen-
tie, welke Diepelius allicht minder had gevoeld als „een zonderlinge gunst" dan
wel in zijn vuistje had doen lachen om zijn succes.
— 142 一
In alle geval krijgt hij nu zijn tractement mèt — men moet toch zijn gezicht
bewaren - de waarschuwing, dat de permissie slechts duurt, zoolang zulks den
Staten of Gec. Raden zal behagen.
Even den draad van het verhaal afbrekend vermeld ik om haar humor
eene ervaring van Diepelius, waarin hij een passieve rol speelt, uit denzelfden
tijd, dat hij gespannen den brief uit Lubeck afwacht. In Februari 1758 vraagt
Prins Karel, de vertegenwoordiger van Maria Theresia, aan de Antwerpsche
Magistraat om inlichtingen over de positie der Hervormde predikanten. Worden
zij eenvoudig geduld of hebben zij krachtens een overeenkomst recht van
verblijf ? Het antwoord luidt, dat er sedert de komst „de la religion prétendue
reformée" steeds predikanten zijn geweest. De huidige is er thans zestien jaar
en doet sinds kort dienst als „concierge" van het Hanzeatische huis. Zonder
twijfel heeft men hem geduld met het oog op 't behoud van de „entière liberté",
welke de Roomschen in het Noorden genieten. Het beste is den toestand te
laten zooals hij op het oogenblik is, mits de voorschriften worden opgevolgd.
Het geven van een formeele toestemming kon ongewenschte consequenties
met zich brengen. Karel aanvaardde dit standpunt. Hij was een gematigd man,
die vaak de wel zeer strakke bevelen van zijn fel anti-protestantsche gebiedster
van hun scherpste kanten ontdeed.
Wist Diepelius van deze correspondentie niets af, haar effect werd hij wel
gewaar. Met zijn ietwat ziekelijke gevoeligheid schreef hij in een brief van
30 Juni 1757, dat hij in de stad meer vijanden had dan haren op zijn hoofd.
„Gij kunt niet denken, onder de roosen levende, hoe droevig het met mij en
mijne gemeynte in dese dagen onser benautheden uytsag... daer alle oogenblik
van wegens het nare gerugt van het verlies der Pruysen en de schnode pasquil-
len in het Vaderland gemaakt... heb af te wagten, dat ons de wolven verscheu-
ren en met mij het begin souden kunnen maaken."
Het wordt nog erger. In Maart 1758 deelt hij mede, dat hij door het Hof
van Brussel is aangeklaagd bij den Markgraaf van Antwerpen, als zou hij
gevuurd en eenige vreugdebedrijven bedreven hebben over de victorie van den
koning van Pruisen bij Breslau op de Oostenrijkers. Voor de curiositeit laat ik
den inhoud van deze opdracht hier volgen.
Cher et féal,
Etant informé qu'un ministre de la prétendue religion reformée, qui occupe
un appartement dans la maison des villes hanséatiques a eu la témérité de
faire un feu de joie dans son logement à l'occasion de la bataille, qui s'est
donnée en Silésie, nous vous faisons la présente pour vous dire, que nous
voulons, que vous le fassieuz comparaître devant vous pour lui témoigner,
combien il a eu lieu d'être surpris et scandalisé de la démarche, qu'il a osé
faire dans le sein des états de l'Impératrice et que vous lui demandiez, quel
peut avoir été le motif d'une conduite extraordinaire; cela fait vous nous
rendrez un compte exact de tout ce qu'il vous dira, afin que nous puissions
y disposer ultérieurement comme nous le trouverons convenir et suivant que
les circonstances l'exigeront.
Ch. de Cobenzl.
— 143 -
De Markgraaf laat de enquête houden door de schepenen Van Parijs en
Verdussen. Diepelius wordt opgeroepen en ontkent het feit categorisch. Als
bewijs van zijn terughouding wijst hij o.a. erop, dat hij indertijd voor de
volksfeesten ter viering van de nederlaag van den Pruisischen koning een
kroon heeft gegeven. 't Feit wordt als juist erkend. Dan roept men den beschul-
diger, Cornelis de Winter, voor de balie. Deze heeft het vreugdevuur niet
gezien, maar de stads-secretaris Van den Bossche heeft het hem verteld. Deze
op zijn beurt opgeroepen, heeft ook niets gezien, maar het van den amman
Vinck gehoord, die verklaart, „que les demoiselles Allard le lui ont rapporté".
„Les dites demoiselles invoquent le témoignage d'un Père Minime du nom de
Villers. Le religieux a répondu, après avoir recollé sa mémoire, qu'il n'avoit
rien vu, mais oui dire du valet du corps des brasseurs que le ministre avoit
fait des jeux de joie pour la bataille. On va chercher le valet en question, Il
n'a rien vu, mais avoit conté au dit Père, étant au marché au poison (bedoeld
zal wel zijn poisson) que le roi de Prusse avoit gagné la bataille du 5 Décembre
et qu'il suposoit que le ministre de la Maison Hanséatique ne manqueroit pas
de faire à cette occasion des feux de joie. Ainsi, conclut le Marcgrave, voilà
l'origine de cette nouvelle, laquelle se réduit à une supposition. Le Ministre
plénipotentiaire ainsi éclairé prescrivit au magistrat de dire au pasteur que
le gouvernement étoit appaisé".
Wanneer iemand, die een naam had te verliezen als monsieur le plénipo-
tentiaire le comte de Cobenzl „trop légèrement" een aanklacht bouwt op de
suppositie van een dienaar van het brouwersgilde en zich met een „bevredigd"
van zijn flater afmaakt, dan is er zeker reden tot twijfel bij felle beschuldigin-
gen tegen Protestanten in dien tijd, al geef ik gaarne toe, dat er hunnentwege
met name in de barrièresteden ook wel eens zal zijn gezondigd.
Een gewaardeerde ervaring zal voor Diepelius zijn geweest een uitvoerige
„Waerschouwinge" van het Magistraet aan het straatpubliek om hem niet te
„injurieeren, uytschelden ofte in eenigerwyse te misdoen".
Terugkeerend tot Diepelius en zijn Dep., moeten wij constateeren, dat het
nog allesbehalve pais en vree tusschen hen is. Zij rijden hem na, hij saboteert.
In November ontdekken zij de resolutie van 1752, krachtens welke jaarlijks
een rekening over de diaconie-middelen moet worden ingezonden. Dit is
slechts eens gedaan. Dep. Duyfhuis herinnert hem daaraan, maar vindt geen
woord daarover in den brief, welken onze vriend hem op 2 Januari 1759 zendt
met gelukwenschen en de hoop uitspreekt, „vele zielen te mogen winnen voor
onzen Koning Jezus, al was het met een heylige arglistigheyt". Voorts bidt hij
hem toe : „Zegeningen uit den afgrond van beneden". 't Zal wel goed bedoeld
zijn, maar onwillekeurig glijdt er een glimlach over ons gelaat. Verder vertelt
hij, dat de gemeente is bewaard voor den dood in deze stad, waarin anders
velen schielijk worden weggenomen. (Er heerschte weer eens een van die
beruchte pestziekten uit dien tijd.) Zij is integendeel verrijkt met een familie
uit Dordt van drie lidmaten en een zoon, die voor zijn belijdenis leert, terwijl
er zes catechesanten zijn.
- 144 —
Eenige dagen later meldt hij aan Dep. Verster, dat 't Graaf-Wiedix-bataillon
met meer dan 300 Prot. officieren en soldaten drie maanden op 't Oostersche huis
had gelegen. De commandant had ervoor gezorgd, dat ieder Gereformeerde
zijn godsdienst kon waarnemen, terwijl strenge straffen waren bedreigd —
stokslagen voor de soldaten en cassatie voor de officieren — „tegen zulke,
die andere religies stremmen mogten". Daardoor was de godsdienst niet belem-
merd, maar veel luisterrijker geworden.
Dep. zetten weer een domper op zijn blijdschap. Zij willen wel gelooven,
dat de soldaten meer dienst dan ondienst hadden aangebracht, maar als nu de
meesten eens van een anderen godsdienst waren geweest? 't Refrein luidt :
„Het ware beter geweest, indien hij het huis niet had betrokken" en 't slot :
„Waar blijft de rekening?"
Lang sputtert hij tegen. Waarschijnlijk niet geheel ten onrechte denkt hij
aan invloeden achter de schermen, die op Dep. — voor henzelven onbewust —
inwerken. Hij noemt man en paard. „Alles" — zoo gist hij — „komt voort van
die familie, die mijn verderf wil zien; de geheele gemeente is zeer content met
t' huis... Waar zou ik zonder dit huis dan nu zijn ? Waar godsdienst houden ?"
Hij dankt God hartelijk. „Doet het met mij, Hoog Eerw., want tog lof
betaamt den Allerhoogste".
Op dezen brief, waarin hij ook de juiste dingen, die hij zegt, bederft door
de ietwat kwajongensachtige wijze, waarop hij ze zegt, antwoorden Dep. niet
malsch. Zij wenschen afrekening niet alleen over 't afgeloopen jaar, maar over
de laatste zeven jaren. Er is geen reden zich met hem over zijn inwoning te
verheugen, terwijl zij zich zeer ergeren over zijn onvoegzame aanhaling uit
God's Woord. Aan Duyfhuys wordt opgedragen hem een „correctie in gansch
duidelijke termen te zenden". In Juni wordt hij „van alle collega's hartelijk
bedankt voor den welgestelden brief"
Diepelius gehoorzaamt, doch stuurt slechts de afrekening over één jaar en
vertelt erbij, hoe en waarom hij het zoo en niet anders doet. Welk een moeite
en tijd zou het kosten, als hij het over alle zeven jaren, zooals Duyfhuys voor-
schrijft, moest doen. Mogen de huidige Dep. met zijn manier even tevreden
zijn, als de vroegere steeds waren, „tenzij dan dat men vermoeden mocht —
hetwelk egter de liefde hem verbiedt te denken - dat met mijnen diaken de
arme-penningen niet goed behandele". Dan spreekt hij van zijn bittere smart
over de tweedaagsche koorts van zijn vrouw, die samen met het laatste deel
van Duyfhuis' brief hem doen zuchten, maar op God vertrouwend zal hij
zwijgen, hoewel hij stofs genoeg heeft. Hij sluit met de hartelijke bede, „dat
Jehovah mogte voorsitten in desselfs hoge vergadering in Den Haag".
Dep. antwoorden, dat zij zijn eigen wijze van boekhouding daar laten, al
leek het niet accuraat, maar zij zijn zeer bevreemd over enkele uitlatingen en
over de inzending van slechts één jaar. Men wenscht, dat hij de rekening der
zes jaren spoedig zal zenden „met order geene frivole exceptien en indecente
bewoordingen voortaan bij en omtrent Ged. te gebruiken; anders weten zij
wel, wat hen omtrent hem te doen staat".
— 145 --
Eindelijk, na nog een tusschentijdschen brief, waarin hij uitstel vraagt,
want zijn vrouw heeft weer tweedaagsche koorts, hij moet 2 uur per week
catecheseeren en af en toe naar Brussel, tevens verzoekende hem niet meer
zoo te bedreigen, „want dat doet mij veel sugten", terwijl toch al de „Roomse
hem als tigers en bairen aansien", eindelijk komen dan de rekeningen. 't Werk
kwam hem eerst „seer schwaer voor, maar naer 't aanroepen van Gods naeme
en naer het opslaen van mijne handboekskens, mits daeraen dag en nagt wer-
kende", was het erg meegevallen. Hem rest dus niets dan vergeving te vragen,
indien hij de broeders in iets mocht hebben beleedigd, „omdat men tog sijnen
broeder niet 7 maal maar 70 7 maal volgens de lessen onser aller meester,
den getrouwen Jesus, die mij soo dierbaar is, vergeven moet".
Na onderzoek der stukken zeggen Dep. koeltjes : „Van de nageziene reke-
ningen en van hun validiteit hebben Dep. niet anders kunnen oordeelen dan
naar den aart der liefde : alleen door den predikant geteekend"
Weinig minder dan een „faux pas" doen Dep., naar het mij voorkomt, door
aan mej. Maria Riemensnijder inlichtingen te vragen over den toestand in de
gemeente, met name om te controleeren, of er geen stof voor den Kerkeraad
was. „Uyt naem van ons alle" antwoordend, spuit zij hare lang opgekropte
gevoelens uit door te vragen ,om met ons doordringende gebeden opwaarts
te verheffen en den Hemel en Gode tragten te bewegen ons met een anderen
leeraar te begunstigen, want wij ons van 't gehoor des woorts berooft vinden,
vermits hij ons naer siel en lichaam 't gras onder de voeten heeft afgemayt".
De gemeente bestaat uit 5 of 6 huishoudingen zonder die van den ds : „Een
seekeren Bom met syn vrouw en 2 soonen, een wed. Dulken met een soon en
3 dogters, een Robbert Schot en syn vrouw en een Vene(z) en dan een seekeren
Hassifort met syn familie". 't Gehoor telt soms 30 menschen, soms minder.
„Ten anderen heeft hij veel te doen met weireltsche menschen en saeken, met
Plaegen en daegen, ja selfs met eede te sweren of doen sweren", waarvan
spottend gezegd wordt : „Wat weet die geusendominee daaraf?" Nu echter de
ds „de weireltlycke bediening tot syn laeste verkiezing maakt", acht zij het
't beste, ook om de eer van de religie, dat er een ander predikant kwam.
Het verbaast ons eenigszins, dat men den brief nog aan den Pensionaris
laat lezen met verzoek om advies. Of dit luidde : zwijgen ? In alle geval wordt
er niets op den brief gedaan.
Een nieuw stokpaardje voor onzen vriend wordt het verkrijgen van een
schoolmeester op den Olijfberg. Zijn moed om dat te vragen voor een
gemeente van 2 à 3 tientallen leden en luttele kinderen ontsproot uit velerlei
motieven o.a. „dat soo een mensch, wanneer men siek wiert, mogte dan iets
voor mijne gemeynte voorlesen kunnen", „dat de gemeynte wordt vergroot,
vooral als hij getrouwd is, dat men zijne kinderen óf zelf moet leeren óf sturen
naar roomsche scholen, waar men ze tracht over te halen, „dat onze liefste
spruitjes mogten voor afgoderije bewaert worden" 1).
————————
1) Hij heeft 9 kinderen gehad, van welke er nog slechts 3 bij zijn dood in
leven waren.
— 146 -
Dep. antwoorden, dat zij hem willen helpen, zij 't zonder veel hoop op
succes 1).
Ten slotte doen zij, waarschijnlijk zonder het „zelvers" te bevroeden een
uiterst gelukkigen zet op het schaakbord door hun voorslag, dat hij zelf het
kleine aantal kinderen zou kunnen onderwijzen, waarvoor hij dan eenig voor-
deel zou genieten. Zoo had hij het niet bedoeld en hij bedankt dan ook vrien-
delijk voor het aanbod, „alsoo hij met zijn salaris tevreden was". Hij blijft
echter op de zaak hameren en komt telkens met nieuwe argumenten aan o.a.,
dat men zoo de kooplieden van Iserloo met de hunnen naar Antwerpen zou
kunnen lokken. Het heeft lang geduurd, eer het noodlottig einde zijn stok-
paardje trof, maar het raakte met andere dingen op den achtergrond door
hetgeen in den tusschentijd, dien wij zouden kunnen aanduiden als „de episode
van Diepelius en de spoken" was geschied. Deze episode zal hij in later jaren
misschien nog menig maal met bitter zelfverwijt hebben herdacht naar het
woord van een groote — toen nog een knaap - dat hij ach ! niet meer af kon
komen van de geesten, die hij zelf had opgeroepen of vergis ik mij, doordat
hem, ons haast verbijsterend, alle zelfkennis ontbrak ?
Dep. krijgen het weer moeilijk door zijn ruzie met Harssevoort, eigenaar
van een tabaksfabriek annex winkel, met wien hij het reeds vaker aan den
stok had gehad. Nu vertelt hij hun wat er op 3 Februari is gebeurd. Hebreën
1 : 7 verklarende, zeide hij, dat 't bestaan van de engelen o.a. werd „bevestigd
door de waarschijnlijkheid van de spooksels en van de bezetenen". Ter appli-
catie voegde hij eraan toe: „Mij dunkt, dat ik sag de hemelen geopent en de
engelen als weenen om de sonden van godloose menschen, die 't bloed van
Christus met voeten vertrapten ! dit seyde met soo een... meedoogentheyt met
arme sielen, dat ik met traanen zaeyde en bijna voor weenen niet en kost
spreeken". Hij had er op gewezen, dat er om de engelen, ,om wier willen sig de
vrouwen in de gemeyndens moeten bedekken" enkele wel glimlachtten „en
sig door haare opschikkinge beeter tot de comœdies als tot Gods huys
schikten". Daarop had de dochter van Harssevoort zich met haar lichaam
op haar stoel „hoe langs hoe meer lachende" naar hem toegekeerd „alsof ze
God en den godsdienst honen en trotzen wilde". Toen had hij door de goede
invloeden van Gods genade opzettelijk haar kant niet uitziende gezegd : „O
alle, die Satanas' beeld door haer sondige leven uitdrukken, zijn toch beklae-
——————————
1) Het treft ons in deze jaren telkens, dat Dep. over 't geheel niet meer
komen uit de groote steden, maar uit kleine plaatsen als Goudriaan, Leerdam
e.d. Dit klopt met de feiten. Wat al lang had gebroeid, brak in 1761 uit. Op de
Synode van Woerden verdeelden „de broederen van 't platte land" de commis-
siën onder elkaar. Dit strekte om begrijpelijke redenen veelal niet tot verhoo-
ging van de qualiteit van het werk. Ook een soort van strijd tusschen „have's"
en „have's not". Het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat het ook opvallend toenemen
begroetingen van den Pensionaris hiermede samenhangt. De broeders
voelden zich in de nieuwe omgeving niet zoo thuis, dat zij in gelijke mate op
eigen verantwoordelijkheid durfden handelen als hunne in de onderhavige
zaken meer geverseerde collega's uit de groote steden. Zie ook Rutgers, a.w.,
blz. 51.
— 147 -
gelijke menschen Och mogten se haer eens sien... hoe souden haere knijen
niet tegens malkanderen stooten". „ Op dit seggen, op dit vooral, begon sy
instantelijk soo te beven en te zittern, dat se weg moest : O wat is God niet
wonderbaer !". Hij schrijft dit bijtijds, omdat de oude heer hem over dit werk,
dat toch niet zijn, maar Gods zaak was, wilde aanklagen en het niet erbij
laten, al zou het zijn ruine zijn.
Harssevoort van zijn kant klaagt over 't affront zijn dochter aangedaan.
Zij was dien dag gekleed „met een Leever gekouleurde chitsen japon, die zij
voor 14 jaaren tot Dordrecht heeft gemaakt, een muts met een gevlamt rood
lint op, daarover een swart kapje en een Franse mantel om, dat nu eygentlijk
de Tooneelkleederen soude moeten wesen". Diepelius had niet de minste reden
om te doen, „dat hij gedaan heeft en alleen maar voortkomt uit syn vuylaardig
humeur, die niemand verschoont". Zelf is hij ook wel eens in de kerk tentoon-
gesteld met deze woorden : „daar syn drie huyshoudens in de stad, van onse
gemeente, daar drie mans sijn, een daarvan komt alle sondagen en doet wel,
den anderen komt somtijds (daar hij mij meede meende), omdat hij wijzer
denkt te zijn dan den Predikant, den derden (dat den ouden Bom was) komt er
noyt, omdat hij het volk hier ontsiet". Hij haat Diepelius niet, „dog die man
is van een onversadelijken hoogmoet en soude syn voet wel op de nek van
de gansche gemeente willen setten". Dan volgt er een verhaal, hoe, toen
zijn nicht zwanger was, Diepelius haar door een chirurg wilde doen laten
en hoe, toen de man zei dat alleen op dokter's bevel te mogen doen, hij een
eed zwoer, dat „er niets aan de saak was", waarop zij werd gelaten. „Wat
reden hij had, zal hem best bewust zijn." Juff. Bom, die bij de bevalling hielp,
had beloofd te zwijgen, maar toch, hoe dan ook zwijgend, in Harssevoort's
huis de zaak aan hem, vrouw en dochter verteld.
Bij den brief was een verklaring van vier personen, die op hun manier de
preek en de bestraffing van Maria Harssevoort weergaven. Voorts gaf Max.
van Munnichuysen, medicina licentiatus, attest, dat hij juff. Harssevoort had
bevonden „seer gealtereert, in groot gevoelen en benautheyt" naar aanleiding
van een groot affront in de kerk.
Dep. schrijven in de overtuiging, dat zulk op den man of in dit geval op
de vrouw af preeken niet de juiste Evangelieprediking is, aan Diepelius, dat
hij ,onvoorsichtig is geweest in 't adstrueren van het aanwesen der engelen
uit de spoken en in de al te personeele bestraffing van de jonge juff", en raden
hem verzoening te zoeken, wat ook Harssevoort wordt aanbevolen met een
verwijt om zijn partijdigheid, vooral blijkende uit het nemen van een attest
van een Roomsch dokter.
De zaak heeft een langen nasleep. Beide partijen blijven brieven schrijven
om hun standpunt te verdedigen. Harssevoort krijgt steun van ds van Iperen te
Lillo. Volgens hem kan de Kerkeraad geen verzoening brengen, want hij
bestaat uit 2 personen, den predikant en Bom, die voor zijn leven diaken
schijnt te zijn. Dit geeft Dep. aanleiding om Diepelius te berispen om zijn
verzuim van „op zijn tijd nieuwe leden aan te wijzen, wat schijnt te getuigen
van een toeleg om alles alleen te dirigeeren".
— 148 —
Van zijn kant doet Diepelius een boekje open over Harssevoort. Hij had
gehoopt in hem een kerkeraadslid te krijgen, maar eens, hem bij een zieke
ontmoetend, voer hij hevig uit tegen een collega in Dordt en scherpte ook zijn
tong tegen de eer van den overleden Prins van Oranje. Hij had hem toen met
liefde gewaarschuwd, want ev. kon hij even onbillijk over hem spreken. (,En
wordt dat niet vervuld ?") Later had hij bemerkt, dat hij eigenwijs was, ware
godsvrucht haatte en zijne Arminiaansche gevoelens in vol gezelschap durfde
uitschreeuwen, als hij dronken was. Bijna elken avond zit hij met zijn zoon
in de herberg ; zijne kinderen verkleeden zich met de z.g. „vastel-avond-
sotten" en dansen op bals. Onder meer gevallen verhaalt hij nog : „soo in
1763 voorgevallen, toen Haar Hg Mog. hier waren en dese in de kerk souden
komen, mits ½ uur later beginnend, sy (de dochter) tot de gemeynte seide om
heen te gaan, daar de ds in een appelflauwte lag en zij zelve met haar broer
wegging".
Uit dit alles - zoo gaat hij door - blijkt zijn ongeschiktheid voor den
Kerkeraad. Bom's zoon is diaken. Een v. Zanten uit Den Haag is ongeschikt.
Verder is er geen stof. Ds van Iperen, die Dep. wel zal hebben bewogen tot
hun brief, „dien met traanen voor Gods oog beweene", kan niet erover
oordeelen. Daar men zich afvraagt, of dit „es ist nicht wahr" van Diepelius
juist is, zal men v. Iperen vragen zoo mogelijk de namen van eligibelen
op te geven.
Deze beveelt aan Bom diaken te laten en Harssevoort, „een man van
crediet en honneur in Antwerpen en die goede kennis van de godsdienst
schijnt te hebben" als ouderling te verzoeken. „Dan heeft de gemeente eenen
Tribunus plebis en de Dictator Diepelius iemand, die hem tegen de overmacht
eenigssints beveiligen kan". Hij is thans voor zes weken naar Duitschland
zonder orde te hebben gesteld op 't vervullen der preekbeurten. Een enkele
maal zou de Lutherse predikant van Dendermonde eens kunnen optreden,
terwijl predikanten uit de buurt op verzoek van Ged. sommige zaken konden
beredderen en event. preeken. Allerlei, wat hij heeft genoemd, kan niet goed
worden geregeld door een Synode in de verte, terwijl er geen Kerkeraad is en
„de pastor loci sig een despotismus aanmatigt".
Harssevoort drukt in een brief van 1 Juli zijn spijt uit, dat Dep. gedachten
van hem hebben, als of hij Diepelius wilde zwart maken door oude stukken
op te halen. „Ik het seer wel kan inschikken, dat een predikant syn meid
bevrugt, maar de saak daar synde, verfoei ik de intriges, die hij toen gebruykt
heeft". Hij erkent, dat het niet betaamt in den godsdienst te grimlachen, maar
de ds heeft daartoe „self aanleiding gegeven en de grimlach is door geen drie
menschen gezien."
Dep. zitten met de zaak verlegen. Van ds Van Iperen zijn zij blijkbaar
niet meer gediend, want als deze in Maart 1766 schrijft, dat de synode niet al
te net schijnt te denken over de Kerk van Antwerpen, „dat sy die, soo ik
hoore, niet durft aantrekken", dat de Regeering en zelfs de Bisschop haar
patrocineert, maar „elk siet 't aan als een slegt huyshouden, dat de synode
den Dominé maar den baas laat spelen" en hij zich aanbiedt om voor zijn
— 149 —
vertrek naar Veere de gemeente eenigsins te soulageeren en den predikant te
beteugelen, antwoorden zij, dat zij aan bar. van Haren hebben geschreven en
diens brief afwachten. Deze is nog al optimistisch en hoopt den predikant door
een vermaning op een goeden voet te brengen en zoo te bereiken, dat deze
behouden, Harssevoort bedaard en de synode van een netelige zaak wordt
bevrijd. Als echter na vele maanden een eindrapport komt, moet hij toch
erkennen, dat de zaak niet zoo eenvoudig is, als hij had gedacht. Den Heer
D... 1) houdt hij voor een woelig mensch die „sig met elks domestique saken
bemoeit en wanneer daaruyt brouilleriën ontstaan, geen termen menageert"
Aan den anderen kant worden ,vele dingen ook te hoog tegen den predikant
opgegeven, natuurlijke uytwerkselen van drift en van passie". Harssevoort is
niet tot een accoord te bewegen; iemand uit zijn huis zou ooit weer bij
Diepelius in de kerk komen. Voor de toekomst beval hij een reglement aan,
welks inhoud hij aangeeft, goed bedoeld, maar te casuistisch en een gezindheid
onderstellend, welke juist ontbrak.
In de Juli-vergadering van 1767 besluiten Dep. aan de Synode te rappor-
teeren, dat hunne „aangewende devoiren vrugteloos zijn geweest" en haar
„de middelen van den Resident als van hen afkomstig voor te stellen". Dan
volgt in de notulen opeens 't volgende dramatische verhaal : „quam met seer
windrige en driftige gebaarden binnen egbert Harssevoort, welke sonder
eenige betamelijke aanspraak en onder de indecentste bewoordingen vroeg,
wat er nu van syn saak was (verstaande waarschijnlijk syne questie tegen d.
Diepelius) vilipenderende voorts het caracter van Dep. in so verre dat deselve
niet anders konden oordeelen dan, of dat hij met kranksinnigheyt of door
den drank bevangen was, sodat Dep. onmogelijk konden begrijpen wat eygen-
lijk syn oogmerk of bootschap was, niettegenstaande hem sulks bedaardelijk
meer dan eens is afgevraagd, sijnde hij eyndelijk in grimmige toorn heengegaan,
seggende verblijd te syn, dat hij nu vond, dat hij gesogt hadde".
Hoezeer Harssevoort zich door zijn optreden had geschaad, is hem duide-
lijk genoeg geworden. Dep. hebben de opgedane ervaring niet voor zich gehou-
den. Aan v. Haren berichten zij, dat Harssevoort hen van verduistering zijner
documenten, collatie, dekking van malkanderen enz. heeft beschuldigd. De
Commissaris politiek is van oordeel, dat ,men op desselfs aanklagten tegen
den ds niet al te vast kan doorgaan" en dat het periculum in mora vervalt.
Ter Synode te Gouda in 1767 en 't volgend jaar te Rotterdam heet het, dat
Harssevoort om zijn felle vijandschap tegen Diepelius als ook om andere
redenen niet in den Kerkeraad past. Dit weerhoudt dezen niet om zijn actie
voort te zetten. In Juli zendt hij aan Dep. een request, door de meeste leden
—————————————
1) Over deze stippeltjes en andere geheimzinnigheden in de brieven van
den President behoeft men zich niet al te zeer te verontrusten. Een diplomaat
moet nu eenmaal verder zien dan een ander. Ronduit staan naam en adres, als
Dep. aan Vaupel, een kamerbewaarder, die vele jaren het overmaken van
het tractement verzorgt, opdragen vrij uit te adresseeren :
A monsieur Dippelius,
Tres fidelle ministre de la Parole de Dieu,
Anvers.
— 150 —
onderteekend, om ter Synode in te dienen. Hij heeft uit Den Haag gehoord,
dat er sterk naar hem wordt geinformeerd. Hij erkent — waarschijnlijk niet
of niet meer deskundig genoeg hadden Dep. geaarzeld tusschen dronkenschap
en waanzin - dat hij te veel had gedronken. „Niet sterk van natuur synde
om veel drank te kunnen verdragen, daarbij op de reis doet men somtijts bij
occasie iets dat men niet gewoon is, ook mij wat driftig makende, is het te
begrijpen, het iemand schielijk naar het hoofd slaat". Misschien had hij korter
en even duidelijk kunnen zeggen, dat hij couragewater had gedronken.
Het request zegt, dat 't buitensporig gedrag van den ds tot die trap is
opgestegen, dat het niet alleen supplianten tot ergernis is, maar ook oorzaak,
dat „onse belijdenis dengeenen die buyten ons syn, meer veragtelijk gestelt
wordt". Zij vragen herstel van „den bezwalkten luyster onser belijdenis" en
wenschen de vrijheid om in een naburige gemeente „de christelijke gemeen-
schap te mogen oefenen". 't Stuk is geteekend door Harssevoort, zijn vrouw
Jud. Beenhakker, Aug. Ger. van der Poorten, wed. Le Bleu, Maria Harssevoort,
Maria Riemenschnijder en nog 6 à 7 van den zelfden naam. Dit request is te
Gouda niet behandeld of liever men heeft het behandelde om tactische redenen
niet in de notulen opgenomen. Dat de zaak wel is besproken, blijkt uit een
brief van Diepelius, waarin hij zegt: „Schon dann gedagt, dat mijn beschul-
diger op het Synodus door den Politiquen Heer van der Hees door het zeggen :
wanneer dat object ofte subject 1) in Den Haag was, men zou hem haast op
de poort zetten... ende door het afwijsen van eenen Harssevoort en haren
aanhang afgedaan was, zoo verneeme egter uit uw brief, dat mij niet alleen
Harssevoort met zijnen en Pieters van Zanten aanhang zoeken te blameeren...
maar ook 't heele Synodus met velerley onwaarheden aan te gorden".
Uit een volgenden brief haal ik een en ander aan, omdat het ons in enkele
opzichten een kijk op den gang van zaken geeft. Hij deelt o.a. mede, dat gelijk
men in den Olijfberg van Flanderen 's jaars 2 maal, telkens 6 weken lang en
wel des nachts, maar nu een of twee keeren's daags preekt, zoo is 't hier de
gewoonte 's Zondags eenmaal. Gedurende zevenentwintig jaar „heeft hij
niet alleen den heelen Heidelbergschen catechismus en alle ordinaire kers-,
passie-, pascha-, pinxter- en hemelvaartsteksten afgepreekt en ook op den
nieuwjaarsdag en den jaarlijkschen boet-, vast-, bid- en dankdag glijkerwijs
nog den 17 hujus gedaan en de biddagspreek van 1766 aan den Prins van
Oranje afgezonden, dien ze ook is door een kamerdienaar voorgelezen, den
dienst waargenomen, maar ook in tijt van oorlog als wanneer alle predikanten
gevlugt, dienst gedaan, ook elders te Lillo en Liefkenshoek". Men kan in
Antwerpen niet hetzelfde doen als in Holland : b.v. de censuur niet toepassen.
Naar hij hoort, is deze sleutel ook daar verroest. Omdat hij gaarne zielen
voor Jezus wenschte te winnen, is hij voor achttien maanden begonnen de
————————————————
1) Bij dit subject of object denke men niet aan Harssevoort. Deze wordt
met name „afgewesen". Allicht is v. Zanten, van wien wij later meer hooren,
bedoeld.
— 151 —
preek van's morgens des middags te repeteeren ; de toehoorders behoefden
dan niet te antwoorden.
Op huisbezoek komt hij niet bij wie hem zouden affronteeren als b.v. de
oude Harssevoort. Voor eenige jaren zou hij naar Duitschland gaan en wilde
vooraf afscheid nemen om 't geschil om zijn dochter te vereffenen. Deze
hoorende, dat hij adieu wilde zeggen, zei ontsteld : „jou soudt mijn vader
niet spreken" en ging weg.
Zeer boos is hij over het voorschrift, dat hij jaarlijks een getuigenis van
zijn dienst en gedrag moet inzenden. Hij valt uit, „dat nieuwelingen en
baatsugtige of Arminiaans gezinde ofte selve sodomise menschen, die eigenlijk
niet tot de gemeynte behooren... over hem souden hebben te oordeelen en
dien men dus door 't ondertekenen van sulk een attestatie boven een Leeraar
soude stellen. Quid tibi vis fieri, alteri ne feceris" 1).
Ten slotte komt hij met eenige eischen o.a. niet-toelating van notoir-homo-
sexueelen tot het gehoor van Gods woord; om hen staat de geheele gemeente
in verdenking gelijk bleek uit een paskwil, indertijd aan zijn deur aangeplakt.
Twee eischen zijn van 't genre : steek dat in je zak. Allereerst dat men mocht
notitie houden van missiven uit Antwerpen ; dan wisten latere Dep. ook, hoe
het er stond. Voorts „dat men soo ligt geen gerugten tot naedeel van een
Leeraar mogte aannemen sonder ondersoek"
In Mei is Diepelius zelf op den cœtus aanwezig. Moeilijkheden lost men op
of gaat men in juister licht bezien. Naar aanleiding van zijn wensch, dat men
,soo ligt (dit interpreteerde hij niet als zoo lichtvaardig, maar zoo ras,
te hebben bedoeld) niet gerugten zou aannemen" verklaarde hij door hun
opening overtuigd te zijn, dat hij hun handelwijze zonder grond „getauxeert"
had. Ook aanvaardde hij het „geen verbod van kerkbezoek voor de grove
zondaars", daar het hooren van de verkondiging des Evangelies aan niemand
behoort te worden betwist. Met het houden van notitie van missiven uit
Antwerpen zal men handelen naar bevinden.
Hij heeft ditmaal niet over Dep. te klagen en erkent dat bij zijn afscheid
door te wenschen, dat „de goede God 't goede hem bewezen vergelden, 't zon-
dige in hem ook door der Dep. voorbiddinge mogte wegnemen"
Over de Synode te Rotterdam kon hij ook tevreden zijn. Daar gaf een der
Commissarissen onder 't voorbehoud, dat hij hem slechts van een paar confe-
renties kende en van hem als pastor zijne inlichtingen had, een gunstig oordeel
over hem en een zeer ongunstig over 't gehalte der meeste leden.
Nog wies zijn triomf. Ds Cremer uit Buren stond na de rapporten op en
zeide, dat „een seer ordentlijk man niet alleen hem mondeling het voldoenste
loflijke getuigenis had gegeven van het loflijk gedrag van Diepelius, maar
zelfs zich had geoffereert ten allen tijde, al was het in plena synodo, hetselve
te staven".
———————————
1) Hier is een vergissing of een verschrijving in 't spel. Er moet staan :
„Quid tibi non vis fieri". Wat hij schrijft, is juist 't omgekeerde van het
bedoelde.
— 152 —
Dan is er eenige jaren rust, wat Dep. blijde vermelden. Door de gedurige
wisselingen in 't college weet men niet meer welk een vulkaan de Olijfberg
kon zijn, totdat er in 1774 weer een eruptie komt en men in de Annalen moet
nazien wie Diepelius is en wat er alzoo met hem is gebeurd. Ter Juni-vergade-
ring is er nl. een brief van J. L. Dulcken met bittere klachten over Diepelius'
„slegte compostement". Beginnend met diens gedwongen huwelijk en alles
daaraan verbonden, meent hij, dat ieder over hem te klagen heeft, zoodat
,men niet meer in de kerk komt... en wij van het dierbaarste verstoken
blijven". Toen zijn vader stierf, was hij overal gezocht en eindelijk in een
herberg buiten de stad gevonden, te dronken om te kunnen bidden. Een van
zijne knechts, Lod. Ruijs, kwam als landsman veel bij ds aan huis en had
verkeering met de 17-jarige dochter, die hem 6 brieven vol trouwbeloften
had geschreven, maar hoorende dat de vader ertegen was, had hij ze alle
teruggegeven. Onder de preek op Hemelvaart wenkte ds den man en zei: „sta
op en gaat achter sitten", zekerlijk omdat zijn dochter zijn gezicht niet kon
verdragen. Hij antwoordde : „Waarom dat, ben ik zoo eerlijk niet als ieder
ander", waarop ds: „neen". De knecht ging ontsteld heen zeggende : „dan
zal ik zien, wat ik te doen heb".
Deze brief is 't sein tot een algemeenen aanval. Dan. Schnell, gegageerd
keizerlijk soldaat, die met vrouw en kinderen bij ds inwoont, schrijft dat hij
daarover eerst blijde was, maar zij konden „in geen slimmer handen zijn
gevallen". Ds is „van ergerlijk en dikwijls door dronkenschap beestachtig
gedrag, die alle menschen uitscheldt. Maar schold ook mijn genadigste sou-
verijn voor papenhoer, waarop ik hem ernstig bestrafte en zei, dat ik anders
mijn pligt zou doen"
. Een gehuwde dochter heeft een brief voor een zuster
besteld ; boos komt hij hem vragen haar daarvoor in haar huis bont en blauw
af te kloppen. Nu heeft hij weer gezegd, dat de Keizer zich wel met sodomie
zou ophouden. Hij wil veertien dagen wachten met dit aan te geven in de
hoop, dat ds intusschen in stilte wegkomt ; door te zwijgen zou hij ongelukkig
kunnen worden. Dep. vinden dit geval zoo zwaarwichtig, dat zij den man
naar Breda, waar zij juist voor de Synode zijn, ontbieden en hem zijne
beschuldigingen, die hij bereid is te beëedigen, laten onderteekenen.
Schnell onderteekent nog eens „für drey personen" met Egb. Harssevoort
(voor zijn huishouden) 6 personen, Herm. Kitzing id. 9 en M. Riemenschnijder
id. 8 personen een schrijven, waarin zij zeggen „eenparelijk ons toevlugt bij
Dep. te nemen, derwijl 't een saak is, die selfs ons in 't partiklier betreft,
waardoor sy allen in 't uyerste ongeluk gedompeld souden kunnen worden"
Kissing heeft nog afzonderlijk een verhaal, hoe Diepelius op slinksche wijze
een door hem te beëedigen verklaring had verscheurd, terwijl Harssevoort op
verzoek van Dulcken meldt, dat zijn pruikemaker Gielbert hem had gevraagd
den ds te waarschuwen ,dat hij voortaan sig moest wagten om sulke beestag-
tigheyt niet meer te doen nl. als hij uyt syn herberg quam, voor de kamer
daar Mans en Vrouwen sitten, midden op den weg publiek te staan syn water
te maaken, want dat er anders eenige uyt het Geselschap hem souden... met
— 153 —
uitdrukkingen die de Eerbaerheyt vereist niet te melden". Inderdaad is het
woord niet parlementair !
Het wordt een trommelvuur van brieven. Dulcken nog eens en Reusch
(tevoren tot Ruijs verdietscht) en een zoon Schnell en Vader Schnell nog
eens met oude en nieuwe beschuldigingen, deze laatste nog steeds benauwd
voor wat hem te wachten staat, als hij ds niet aangeeft en hij eindigt dan
ook met 't verzoek hem „ten spoedigste uyt klaarblijkelijk gevaar te redden,
of ik moet blijven uyt eerbied"...
Wij zijn naar bloed, ras, bodem en geest in dezelfde familie met een briefje
van Margrade Schnell, dat ik meer curiositeitshalve dan om zijn zakelijken
inhoud opneem : „Ich äldeste doch dar von dan. Schnell bida underdanig als
eine arme Frau mit 4 kleine kinder uns aus usere Not zu helfen in deem ich
fiel von diesem menschen leiden musz um meiner Schwester willen die weil
ich ihm kein Gleig hab wollen gewen, nun sucht er mir mein brod und ehr
zu stelen indenne seine Hass zo grosz ist und da ich weis von ihm die unerhord
ist also bida ich uns arme Menschen aus dieser Not zu helfen den es ist nicht
mer zu erdragen, ich schliesse und verbleibe eine dreue und gott willeine
gottesgefallige glauensgenosene christin". Get. Margrade Dielin.
Natuurlijk bespreken Dep. deze dingen met den Raadsheer Hoog en op
advies van hem, die meent, dat enkele ervan van de uiterste delicatesse zijn
en „wegens de seer illustre Persoonen darin getoucheert van verre uitsigt
soude kunnen worden", met den Raadpensionaris, Pieter van Bleiswijk. Men
besluit alles zoo te dirigeeren, dat op het request van Dep. om ordonnantie tot
betaling door Gec. Raden toezending van een attestatie van 4 of 6 hier bekende
leden „nopens syn goed compostement en getrouwe waarneming van syn
dienst" zal woren geeischt. Daaruit kon men zien, of het wangedrag inderdaad
zoo erg was of dat allerlei voortkwam uit sommiger kwaadaardigheid. IJlings
wordt dit aan Diepelius bericht, die haastig eenige stukken zendt, naar aanlei-
ding waarvan men besluit, „daar er onder zijn, waarmee voor dese reys
genoegen kan worden genomen" den predikant het half jaar uit te betalen.
In 't vervolg wenscht men telkens een schriftelijk getuigenis van den Ker-
keraad.
Voor Diepelius hebben Anna Wilh, van Grovestins, Beatr. Bradshaw en
Cat. Fienoo, Boms vrouw, getuigd, dat hij „stigtelijk leeft en gedraagt en niet
't minste op hem te zeggen valt". De tweede noemt een zekeren Dulcken, die
tegen onse seer beminde Herder opkomt". De derde kan buiten twijfel beter
met 't waschbord terecht dan met de pen, maar schrijft daarom niet minder
blijmoedig in hanepooten: „Ik ebkenne Als dat meij predikant Dipelis meijs
oordeels Godts Woordt getrouweleijk predikt en in dese plaase derft staan,
getrouweleijk als 't daar de gelegentheijdt op aankomdt, als een ros, om die te
verdedigen Tegen onse weder parteijders". Voorts zeggen nog Mart. Bom, de
beurtman Pieters van Amsterdam, de Waalsche chapelain te Brussel en enkele
lidmaten in meer of minder sprekende bewoordingen niets te weten, dat tot
Diepelius' leven of leer zou nadeelig zijn". Speciale vermelding verdient een
Snel, die evenals zijn vrouw verklaart uit liefde tot de waarheid al hetgeen
— 154 —
anderen tot nadeel mochten getuigen, te verwerpen. Laat ons hopen, dat dit
„totalitair" getuigenis geen familie-oorlog tot nasleep heeft gehad ! Ten slotte
noemt ds Janssen hem „een vroom, zalig leeraar" en daarnevens van Zanten
een bedrieger.
Men kan eenigszins beduusd staan bij deze zeer tegenstrijdige zwart-wit-
teekeningen van een en dezelfde persoon, waarbij het zwarte hier daar wit is
en omgekeerd. Wien te gelooven ? Beurtschipper Pieters van Amsterdam met
zijn gunstige verklaring ? Of beurtschipper Post van Gouda, die door ds Staring
ondervraagd, heel wat verhaalt „van 't ergerlijk gedrag van den predikant,
hoe de gemeente daaronder zugtte en bloot stond voor den hoon der Room-
schen". Kan 't getuigenis van het echtpaar Snel opwegen tegen dat van Vader
Snel en twee dochters, gesteund door 't kruisje van den schoonzoon ?
Waar was de juiste kijk? Bij de Synode van Leiden in 1766, die erop
aandringt hem tot zijn plicht te brengen? Bij die van Rotterdam in 1768,
waar de lof van de officieele personen wordt onderstreept door een stem uit
de vergadering ? Of die van Dordt in 1775, waar de classis van Delft zelfs niet
voor een depostement terugschrikt ?
Heeft de Kissing van 1767 het bij 't rechte einde, als hij niets heeft aan
te merken „op 't gedrag, dat onsen veel geliefden ds mogte bezwalcken" of de
Kissing van 1774, die niet meer bij hem in de kerk kan komen ?
Zoo zouden wij lang kunnen doorvragen. Zullen wij dan tellen, zooveel
pro, zoveel contra ? Maar stemmen moet men liever wegen. Laat ons dan wegen.
De heer de Dieu gaf in 1742 te kennen, dat al 't ongenoegen vooral aan
den predikant was te wijten, terwijl hij een groot getuigenis gaf van de
aangenaamheid der voornaamste leden, waartoe met name de Riemensnijders
en G. Hooft zullen hebben behoord. Welnu, wij weten van des laatsten verkla-
ring, dat bedoelde familie altijd tegenstrevelijk is geweest. Om een nog aan-
zienlijker personage te noemen, de gezant van Haren spreekt eerst met sym-
pathie over Harssevoort en vindt Dulcken een woelig man. De eerste kennis-
making met hem was voor Dep. voldoende om hem voor goed op de zwarte
lijst te zetten. Waren mannen als de Dieu en van Haren dan onbetrouwbaar ?
Natuurlijk niet, maar als de Dieu de Antwerpsche notabelen ontmoette,
waren beide partijen op hun Zondagsch en Diepelius trof zijne leden en zij
hem in daagsche plunje aan. En bij een gezant als van Haren kwam Harssevoort
met gepasten eerbied gelijk Diepelius zulks deed bij den Heer Hoog, doch
Harssevoort en Diepelius kenden elkaar om zoo te zeggen van haver tot gort.
Onze beduusdheid is begrijpelijk, maar wie weet niet bij ervaring, dat
zulke scherpe tegenstellingen tusschen wit en zwart geen zeldzaamheid zijn,
niet in verkiezingstijd, niet in de rechtswereld, niet in 't leven van wie met
velen in aanraking komt. Veelal kan men aannemen, dat de waarheid in het
midden ligt.
In den cœtus van November vragen Dep. zich af, wat er nu verder moet
worden gedaan. De Raadpensionaris beveelt „afwachten" aan. Dit doet men
met 't gewenscht succes. Eenerzijds zal men hebben ingezien, dat men geen
nieuwe wapens tegen Diepelius in't veld kon brengen, zoodat de oude Schnell
— 155 -
,als kayserlik soldaat" in perpetueele angst heeft moeten leven voor wat hem
stond te wachten, als zijn plichtverzuim bleek. Anderzijds zal Diepelius, oud
en moe geworden, waarover hij af en toe in den breede klaagt, betuigend, dat
hij naar zijn emeritaat hunkert, zich rustig hebben gehouden, zoo zichzelf
't best dienende.
Wat nog enkele jaren omtrent hem in de acta staat, betreft de formaliteiten
ter zake van zijn tractement en de inlevering der diaconie-rekening. In Sep-
tember 1776 schrijven Dep., dat zij de attesten omtrent gedrag en dienst
voortaan niet door één, maar door tenminste twee leden geteekend willen
zien, „zullende anders difficulteeren". Diepelius staat aanstonds klaar. In
October presenteert hij Dep. nog Leenhoff als ouderling en Bentfort als diaken.
Deze laatste is spoedig door Edw. Gloster vervangen, daar hij Pieter Olivier,
die om „de stomme zonde" uit Leiden was verbannen, wilde bedeelen, wat
ds en de ouderling niet goed vonden. Men kwam toen tot dit compromis, dat
de diaken als op eigen gezag den man 2 schellingen per week mocht toereiken.
Ook andere armen mocht hij, mits voorzichtig, helpen. 't Voornaamste zou
echter bij den ds blijven. Desondanks bedankt Bentfort toch, daar men Olivier
niet naar zijn wensch wil alimenteeren. Wij zullen wel niet ver van de waarheid
zijn, als wij ook hier den strijd om de macht op den achtergrond zien.
In Maart van het volgend jaar worden nog het request en de attesten
behandeld. In de Mei-vergadering deelt ds Munnikemolen de ontvangst van
een rouwbrief mede van de wed. Diepelius met bericht, dat haar man op
10 Maart is overleden.
Ik behoef geen lange rouwrede te houden. De lezers hebben overvloedig
gelegenheid gehad hem op verschillende momenten gade te slaan en zich
een oordeel over zijn persoon en karakter te vormen. Kon hij met een bekend
man uit later tijd zeggen : ,multa tuli" (ik heb veel doorstaan), hij had bij
eenige zelfkennis met het woord van een beroemd-berucht personage uit
vroeger eeuw erbij kunnen voegen: „ik heb het er ook naar gemaakt". Ik
vertrouw, dat men mijne kenschetsing : „Een onaangenaam mensch op den
Olijfberg" niet te hard, maar ook niet te zachtmoedig zal achten. Om alle
gerechtigheid te vervullen zeg ik aanstonds er nevens, dat de Olijfberg geen
aangename gemeente was tijdens het grootste deel der 18de eeuw.
Eén vraag hoor ik mij in gedachte nog stellen. Of ik hem voor een huiche-
laar houd? Neen, dat doe ik zeer zeker niet. Hij was een geloovig, maar
bekrompen-geloovig man. Zijn geloof was van een eigen soort, zooals het
trouwens vaak genoeg voorkomt. Hij geloofde in een God, dien hij min of
meer naar zijn eigen beeld had geschapen. Hij was overtuigd, dat zijn eigen
wegen en overleggingen de wegen en overleggingen Gods waren, dat hij zijne
eigen wegen gaande, op Gods wegen ging. Dat kan kracht geven, doch het is
schijnkracht. Dat kan doen volharden, doch voert op dwaalwegen. Hij was
geen huichelaar, maar ook niet geheel echt. Hij was bevindelijk, maar niet
ongekunsteld. Hij verkondigt God's lof, maar 't kan ons nu en dan als blas-
phemie in de ooren klinken.
— 156 —
BRIEVEN MET BETREKKING TOT HET CONFLICT - DIEPELIUS
Brief 22 maart 1752
Onbekende datum
Brief 29 mei 1753
Brief van Martinus Bom 24 Junij 1753
Brief 25 Junij 1753
Brief 5 Julij 1753
Brief 16 meij 1774
Brief 11 julij 1774
Brief 15 september 1774
Copije Attestatie J. Ludwig Reusch & Johan Jacob Schnell - 15 september 1774
Brief 4 September 1754
Brief 8 Maart 1775
BRIEF VAN MEJ. BRANGEERS - Geent den 9 Julius 1753.
Brief Egbert Hanssevoort 6 juli 1767

Brief Daniël Schnell 19 Juni 1774
Brief Johann Lodewijk Reusch 8 Julij 1774
Brief Daniël Schnell 9 Julij 1774
Brief Daniël Schnell 11 Julij 1774
Brief J.H. Kissing Zoonen 11 Jullij 1774
Brief Egbert Hanssevoort 13 Juli 1774
Brief Daniël Schnell 15 september 1774
Brief Catrina pieno 3 October 1774
Brief gebr. Oderman 5 october 1774
Brief Martinus Bom 18 October 1774
Brief Pieter Pieters buertman 19 October 1774
Brief in het handschrift van Dipelius(?) zonder datum
LIJST DER LEEDEN VAN DE GEMEENTE TE ANTWERPEN 1774
•••••niets te boek te brengen, maar alle deeze stukken bij malkanderen in een enveloppe te bewaaren in het laadje van het kleine kastje van Deputaaten. •••••
De zaak van Dipelius tot 19 September 1774
Dit papier behoort tot Art: 14 van den zaaken van Dipelius Pred: op den Olijvberg 18 september 1774
Foundation Musick's Monument