Multimedia Art Productions

Scherm­afbeelding 2026-05-31 om 11.53.20

The ouderling (elder) Johannes Daniël Dulcken

The church register of the Brabantse Olijfberg records that on 16 February 1744, Mr Johan Daniel Dulcken was appointed as an elder (church administrator, ‘co-supervisor’) of the Brabantse Olijfberg. NB: this took place in consultation with the Deputies of the Reformed Church of the classis (Synod) of South Holland.

Scherm­afbeelding 2026-05-31 om 11.26.40


That would have been all well and good, were it not for the fact that the new minister (who took up his post in 1742), Rev. Diepelius, was not exactly developing in a favourable manner. He had a rather grandiose view of things, particularly of himself (and his calling). For example, he felt he was entitled to a larger house, and that he was quite entitled to use money from the poor fund for that purpose. Elder Dulcken confronts him about this and demands the key to the poor relief fund. The minister refuses. Together with Deacon Riemensnijder (also caretaker of the Oosters Huys, a scion of a very large nuclear family from the Brabant Olijfberg), Dulcken informs the Deputies and asks them to call the minister to order. It works. A few years later, however, the minister crosses another line, this time literally: inappropriate behaviour. In 1751, he fathered a child with his housekeeper/niece. The affair comes to light, and he is summoned to appear before the synod (of South Holland). He shows remorse, and the Deputies grant him a second chance, subject to a strict ‘period of reflection and penance’.
For Deacon Riemensnijder, this is all happening too quickly. He leaves, much to the regret of Elder Dulcken, who is now left on his own. According to a remark by Dulcken (from a letter to the Deputies in the Netherlands in 1753), after Riemensnijder’s departure the minister tried to surround himself with yes-men (“… after much questioning I receive no answer, but he seeks to make a deacon out of a cobbler’s apprentice here, who is of very little understanding, and who would have to agree to everything he says” letter 25 June 175311). Now Diepelius wants Dulken’s scalp. He must resign. To this end, he dredges up an old regulation (from 1660), which states that ‘the longest-serving elder’ must ‘step down’ every other year. Dulcken, however, refuses to be sidelined. An extensive correspondence on this matter is preserved in the ‘Old Synodical Archive of the Dutch Reformed Church’. The image of Reverend Diepelius that emerges from this is of a man who attributes to himself a very high religious calling (this is evident, among other things, from the highly exalted style of his letters).
His opponents are therefore automatically God’s opponents as well. And he made that very clear to them. However, Dulcken was also a stubborn man and would not back down. Finally, there are various accounts that the minister regularly behaved badly in public, and was no stranger to strong drink. The latter occurred, for instance, on Easter Monday 1757, when Johan Daniel Dulcken was dying, according to a statement by his son Johan Lodewijk in a letter to the Deputies in 1774:
“My mother has often complained, with tears in her eyes, how, upon my father’s death (11 April 1757), she had him searched for everywhere and, having finally found him in an inn outside the city, he was, due to drunkenness, unfit to pray with Father…”

Scherm­afbeelding 2025-07-01 om 09.31.21
Brief 16 meij 1774 Johannes Lodewijk Dulcken

Mijn vader (Johannes Daniël Dülcken) die in de dertig jaaren en veele van
de zelven alhier als ouderling gewoont, heeft hier
van de bitterste preuve tot in zijn eijnde gehad.
Uw Eerw. gelieve zig maar eens voor te stellen,
hoe aanstootelijk en beschimpelijk het voor ons
alle geweest is: toen hij (nu zijne vrouw) een
jonk meijsje zijne Nigte, (hem als Predicant aan
vertrouwt) verleijd en beswangert had, niet alleen
dit aan mijn vader onder de dierbaarste Eede
loogende maar om zijne leugene waarschijlijk
te maken de kraamvrouw dwong met den 6 of
7 de dag in de kerk gezeg en te komen ten perijkel
van haar leven en haar kort hierna holland
versond.

Scherm­afbeelding 2025-07-01 om 09.33.11
Brief 16 meij 1774 Johannes Lodewijk Dulcken


Mijne Moeder ( Susanne Maria Knoppffel) heeft met traanende oogen dikmaals
geklaagt hoe zij hem (Predicant Diepelius) bij het afsterven van mijn vader over
al heeft doen zoeken en eijndelijk in een herberg buijten
de stad gevonde zijnde was hij door dronkenschap onbequaam
om met vader te bidden. nu nog korteling heeft hij zig in
een herberg zoodanig bedronken dat hij bij waterlossing
zig zoo ergerlijk en onbeschaamt heeft gedragen, dat
Roomse mensen bij ons zijn gekomen met versoek van
hem te waarschuwen zig in ’t vervolg van zulke beest=
=agtigheid te wagten dat zij hem anders zijn schaam,
lijkheid zoude afsneijde etc.



"Meanwhile, Reverend Diepelius apparently managed to function well enough to win people over, and to sow seeds of doubt among his 'superiors' whenever they confronted him in person. He did not sow doubt through arguments, but rather by 'blackening the reputation' of his opponents (strikingly similar to our own times). The higher governing bodies of the church did not dare to cut the Gordian knot (i.e., to dismiss him). They failed to do so even when, sixteen years after the death of Dulcken Sr., his son Johan Lodewijk clashed with the very same minister upon his return to Antwerp in 1772/3, and was—once again—confronted with his misconduct. He refused to let the matter rest and initiated a motion for dismissal. Addressing the Deputies in Breda, he requested the parishioners to put their experiences with the minister in writing (letters historically known as 'attestations'). When the minister found out, he quickly organized a counter-campaign of letters containing positive attestations. By 1774, all these documents, along with the accompanying correspondence and reports of various meetings, caused the file in the Old Synodal Archive to swell into a substantial dossier. The entire course of events was ultimately summarized in 14 articles spanning 8 pages: the
post-acta. Yet, once again, it was decided that they would 'for the time being' not intervene—even though the minister was clearly dysfunctional, a fact acknowledged by the deputies themselves—for fear of what 'the Roman Catholics' might say. In short, the truth was once more sacrificed on the altar of keeping up appearances. Reverend Diepelius remained firmly in office until he died, having 'served' as the minister of the Olive Mount in Antwerp for 39 years. Nil novum sub sole."

Dr Dick Wursten



BRIEVEN MET BETREKKING TOT HET CONFLICT - DIEPELIUS



IMG_0107
Brief 22 maart 1752
Onbekende datum
Brief 29 mei 1753
Brief van Martinus Bom 24 Junij 1753
Brief 25 Junij 1753
Brief 5 Julij 1753

IMG_7263
Brief 16 meij 1774
Brief 11 julij 1774
Brief 15 september 1774
Copije Attestatie J. Ludwig Reusch & Johan Jacob Schnell - 15 september 1774

Scherm­afbeelding 2025-06-25 om 08.55.04
Brief 4 September 1754
Brief 8 Maart 1775

logo brieven 2
BRIEF VAN MEJ. BRANGEERS - Geent den 9 Julius 1753.
Brief Egbert Hanssevoort 6 juli 1767

IMG_7259 2
IMG_7260



Brief Daniël Schnell 19 Juni 1774
Brief Johann Lodewijk Reusch 8 Julij 1774
Brief Daniël Schnell 9 Julij 1774
Brief Daniël Schnell 11 Julij 1774
Brief J.H. Kissing Zoonen 11 Jullij 1774
Brief Egbert Hanssevoort 13 Juli 1774
Brief Daniël Schnell 15 september 1774
Brief Catrina pieno 3 October 1774
Brief gebr. Oderman 5 october 1774
Brief Martinus Bom 18 October 1774
Brief Pieter Pieters buertman 19 October 1774
Brief in het handschrift van Dipelius(?) zonder datum
LIJST DER LEEDEN VAN DE GEMEENTE TE ANTWERPEN 1774


•••••niets te boek te brengen, maar alle deeze stukken bij malkanderen in een enveloppe te bewaaren in het laadje van het kleine kastje van Deputaaten. •••••
image001
De zaak van Dipelius tot 19 September 1774
Dit papier behoort tot Art: 14 van den zaaken van Dipelius Pred: op den Olijvberg 18 september 1774



LIDSMAATEN van den BRABANTSE OLIJFBERG - ANTWERPEN



Ouderling Dulcken (1744-1757).
Het kerkeboek van de Brabantse Olijfberg meldt, dat op 16 februari 1744 dhr. Johan Daniel Dulcken tot ouderling (kerkelijk bestuurslid, ‘mede-opzichter’) van de Brabantse Olijfberg aangesteld. NB: dit gebeurde in overleg met de Deputaten van de Hervormde Kerk van de classis (Synode) van Zuid-Holland.

Scherm­afbeelding 2026-05-31 om 11.26.40

Op zich mooi, ware het niet dat de nieuwe predikant (1742 intrede), ds. Diepelius, zich niet bepaald op een gunstige manier ontwikkelt. Hij ziet het allemaal groots, en met name zichzelf (en zijn roeping). Hij vindt bijv. dat hij recht heeft op een groter huis, en dat hij daar het geld uit de armenkas wel voor mag gebruiken. Ouderling Dulcken spreekt hem hierop aan, en eist de sleutel van de armenkas op. De dominee weigert. Samen met diaken Riemensnijder (tevens concierge van het Oosters Huys, telg van een zeer kroostrijke kernfamilie van de Brabantse Olijfberg) informeert Dulcken de Deputaten en vraagt hen de dominee tot de orde te roepen. Het werkt. Enkele jaren later overschrijdt de dominee echter een andere grens, deze keer letterlijk: grens-overschrijdend gedrag. Hij verwekt in 1751 een kind bij zijn huishoudster/nicht. Het komt uit, en hij moet voor de synode (van Zuid-Holland) verschijnen. Hij toont berouw en de Deputaten gunnen hem een herkansing met een strikt ‘bezinnings- en boetetraject’. Voor diaken Riemensnijder gaat dat te snel. Hij vertrekt, zeer tot leedwezen van ouderling Dulcken, die nu alleen overblijft. Volgens een opmerking van Dulcken (uit een brief aan de Gedeputeerden in Nederland in 1753), probeerde de dominee zich na het vertrek van Riemensnijder te omringen met ja-knikkers (“…ik krijg na veel afvraginge geen antwoort, maar hij zoekt te te maeken, van eene schoenmakersknegt alhier eene diaken, die zeer gering in begrijp, en hem alles zoude moeten toestemmen” brief 25 juni 1753 Nu wil Diepelius Dulken’s scalp. Hij moet aftreden. Hiervoor haalt hij een oude regeling (uit 1660) tevoorschijn, waarin staat dat ‘de langstzittende ouderling’ om het jaar moet ‘afgaan’. Dulcken laat zich echter niet opzij zetten. In het ‘Oud-Synodaal Archief van de Ned. Hervormde Kerk’ is een uitgebreide correspondentie hieromtrent bewaard. Het beeld van dominee Diepelius dat hieruit naar voren komt, is van iemand die zichzelf een zeer hoge godsdienstige roeping toedicht (dit blijkt o.a. uit de zeer geëxalteerde stijl van zijn brieven). Zijn tegenstanders zijn dus automatisch ook Gods tegenstanders. En dat liet hij ze ook verstaan. Dulcken heeft echter ook een harde kop en wijkt niet. Tenslotte zijn er diverse getuigenissen dat de dominee zich in het openbaar geregeld misdroeg, en ook niet vies was van sterke drank. Dat laatste o.a. op de tweede Paasdag 1757, toen Johan Daniel Dulcken stervende was, aldus mededeling van zoon Johan Lodewijk in een brief aan de Deputaten in 1774:
“Mijn Moeder heeft met traanende oogen dikmaals geklaagt hoe zij hem bij het afsterven van mijn vader (11 april 1757) overal heeft doen zoeken en eijndelijk in een herberg buijten de Stad gevonden zijnde, was hij door dronkenschap onbequaem om met Vader te bidden…“


Scherm­afbeelding 2025-07-01 om 09.31.21
Brief 16 meij 1774 Johannes Lodewijk Dulcken

Mijn vader (Johannes Daniël Dülcken) die in de dertig jaaren en veele van
de zelven alhier als ouderling gewoont, heeft hier
van de bitterste preuve tot in zijn eijnde gehad.
Uw Eerw. gelieve zig maar eens voor te stellen,
hoe aanstootelijk en beschimpelijk het voor ons
alle geweest is: toen hij (nu zijne vrouw) een
jonk meijsje zijne Nigte, (hem als Predicant aan
vertrouwt) verleijd en beswangert had, niet alleen
dit aan mijn vader onder de dierbaarste Eede
loogende maar om zijne leugene waarschijlijk
te maken de kraamvrouw dwong met den 6 of
7 de dag in de kerk gezeg en te komen ten perijkel
van haar leven en haar kort hierna holland
versond.

Scherm­afbeelding 2025-07-01 om 09.33.11
Brief 16 meij 1774 Johannes Lodewijk Dulcken


Mijne Moeder ( Susanne Maria Knoppffel) heeft met traanende oogen dikmaals
geklaagt hoe zij hem (Predicant Diepelius) bij het afsterven van mijn vader over
al heeft doen zoeken en eijndelijk in een herberg buijten
de stad gevonde zijnde was hij door dronkenschap onbequaam
om met vader te bidden. nu nog korteling heeft hij zig in
een herberg zoodanig bedronken dat hij bij waterlossing
zig zoo ergerlijk en onbeschaamt heeft gedragen, dat
Roomse mensen bij ons zijn gekomen met versoek van
hem te waarschuwen zig in ’t vervolg van zulke beest=
=agtigheid te wagten dat zij hem anders zijn schaam,
lijkheid zoude afsneijde etc.


Onderwijl bleef dominee Diepelius blijkbaar wel voldoende functioneren om mensen voor zich te winnen, en om bij zijn ‘oversten’ twijfel te zaaien als ze hem er persoonlijk op aanspraken. Twijfel zaaien deed hij niet met argumenten maar door zijn tegenstanders ‘zwart te maken’ (het lijkt onze tijd wel). De hogere organen van de kerk hebben de knoop niet durven doorhakken (d.w.z. hem afzetten), ook niet toen 16 jaar na het overlijden van Dulcken Sr. zijn zoon Johan Lodewijk (bij zijn terugkeer naar Antwerpen in 1772/3 ) op dezelfde dominee botste, en – opnieuw – met diens wangedrag werd geconfronteerd. Hij liet het er niet bij zitten. Hij initieerde een actie tot afzetting. Hij richt zich tot de Deputaten te Breda, en vraagt de parochianen hun ervaringen met de dominee op schrift te stellen (‘attestaties’ heten die brieven). Als de dominee erachter komt, organiseert hij snel een briefschrijfactie met positieve attestaties. Al deze stukken met de bijbehorende correspondentie (en verslagen van diverse gesprekken) doen in 1774 het dossier uit het oud-Synodaal archief aangroeien tot een stevige bundel. Het hele verloop wordt tenslotte samengevat in 14 artikelen op 8 pagina’s: de post-acta. Echter opnieuw om te besluiten dat men ‘vooralsnog’ niet zal ingrijpen – hoewel de dominee duidelijk dysfunctioneel is, ook volgens de deputaten – omdat men bang is voor wat ‘de roomschen’ wel niet zullen zeggen. Kortom. De waarheid wordt nog maar eens geofferd op het altaar van de schone schijn. Dominee Diepelius blijft zitten waar hij zit, tot hij 39 jaar te Antwerpen heeft ‘gestaan’ als predikant van de Olijfberg en sterft. Nil novum sub sole.
Dr Dick Wursten